Kinshasa, Congo

Geplaatst op 10 november 2009 door Stefanie Dhont 3 reacties | Reageren

Een ander jaar in Congo

Alle begin is moeilijk, en herbeginnen al even moeilijk als beginnen. Iedereen die ooit een marathon heeft gelopen en zich erna, door kinderen, een veeleisende job, of teveel sociale verplichtingen heeft zien evolueren tot een iets te dik, licht onfit, rokend individu die net die pint te veel drinkt elke avond, weet waarover ik het heb. De draad terug opnemen is niet evident. Hoe moet je beginnen, waar te beginnen, heeft het wel nog zin om te beginnen? Dat soort vragen stelt zich een mens die de neiging heeft tot vragen stellen. Maar kijk, ik zit hier en ik probeer. Ik houd te veel van schrijven, en ik kan gewoonweg alle bedenkingen die dagelijks door mijn hoofd passeren niet langer  voor mezelf houden. Ik moet ze neerschrijven, al was het maar om iets tastbaar over te houden aan de gevoelens en de gebeurtenissen die me hier ten deel vallen.

Zo vind ik mezelf terug, op dit avondlijke uur 1930h, op de achtergrond de chaos van de boulevard 30 juin, voor de computer ik, elke dag een dagje wijzer, een dagje verwarder, over de wereld waarmee ik geconfronteerd word.

 We schrijven 3 november 2009, in Congo, business as usual. De verkiezingen bevinden zich nog immer in hetzelfde stadium als enkele maanden terug. Een impasse.  Ik kom net terug van een onderonsje met een Ivoriaanse collega. Ik weet nog altijd niet hoe me te gedragen in deze vreemde wereld van culturen die ik niet ken. Want groter nog dan de uitdaging van in Congo te leven, is de uitdaging van voor de Verenigde Naties te werken.

Hoe ga je in godsnaam om met een 49-jarige Ivoriaan? Hoe ziet hij het feit dat ik als jonge blanke en alleenstaande vrouw een pint wil gaan drinken met hem? Ziet hij het als een aanleiding tot iets meer? Kan hij het interpreteren als een vriendelijke geste van iemand die gewoon zin heeft in een deugddoende pint na een harde werkdag? De Afrikaanse vrouwen, in hun kleurrijke boubous op de trappen van het gebouw waarin ik werk hebben in ieder geval al een interpretatie klaar: er is iets meer tussen die twee.

Hier hebben de mensen niet veel nodig om te beginnen babbelen. Iets wat ik nooit heb begrepen: waarom praten mensen zo graag over andere mensen? Waarom vinden ze het zo plezant om allerlei hypotheses te bedenken over andermans leven en die dan als feiten te gaan proclameren aan iedereen die het horen wil? De dynamiek van het roddelen, een van de mindere nobele aspecten van het mensdom.

Terwijl we onze pint drinken in een bar aan de boulevard zie ik mijn excollega binnenkomen. Hij heeft me niet gezien en zet zich aan een tafeltje met een congolese die minstens 30 jaar jonger is als hem en wie hij innig op de mond zoent. Niks speciaals. Hier hebben (bijna) alle expats een congolees vriendinnetje. Het is een van de dingen die horen bij een non-family duty station (VN-jargon voor die gebieden waar VN-personeel zijn familie niet kan meebrengen).Wat hun natuurlijk niet belemmert om thuis een gezin te onderhouden en elke twee maanden braaf de vlieger te nemen voor een visite aan de familie. Geld hebben ze genoeg, en geld hebben ze nodig, ook voor het Congolese vriendinnetje. Want voor congolese vrouwen is dit een commerce als een ander. Hier geen tijd en ruimte voor luxes zoals verliefd zijn, romantische idealen en dromen van de ware jacob.  Congolese vrouwen weten al heel vroeg wat hun lichaam waard is en wat ze ermee kunnen bereiken, en daarin zijn ze een pak minder naief als westerse vrouwen, die dat pas beseffen als hun glorietijd voorbij is.

Soms voel je je hier als westerse vrouw misplaatst. Als je bijvoorbeeld in een bar terechtkomt waar mannelijke expats zich te goed doen aan hun drankje terwijl op de dansvloer Congolese vrouwen zich in allerlei bochten wringen om de aandacht te trekken. Hoe later op de avond, hoe wanhopiger hun pogingen. Tot ze met de handen in het kruis van het tooghangend publiek beginnen te graaien.

Zo een situaties doen me altijd weer denken aan een scene die me is bijgebleven uit een franse film, “Nathalie”. Fanny Ardant  die op een bepaald moment, ze is dan al ver in de veertig, in een luxe prostitueebar belandt, waar ze weet dat haar man in de film (Gerard Depardieu) een rendez-vous heeft. Haarzelf geen houding wetend bestelt ze zich maar een whisky, en zit ze daar, een aandoenlijke vrouw op leeftijd, die verdwaasd kijkt naar de taferelen die zich voor haar afspelen. Als een vreemde eend in de bijt, the odd one out. Het element dat niet in het plaatje thuishoort.

Zo voel je je hier soms… ongepast. Overal waar je komt zijn er vrouwen die klaar zijn hun lichaam te geven voor een tien dollarbiljet. Hoe mooier ze zijn, hoe meer eisen ze stellen. De mindere godinnen moeten het stellen met de straatkant en een minirokje, de benen provokerend openend als je om elf uur s avonds langs bepaalde wegen naar huis rijdt. De knappe vrouwen, die misschien zelfs een job hebben als femme de menage, of secretaresse kunnen het subtieler aanpakken. Maar allemaal grijpen ze de gelegenheid aan waar ze geld kunnen verdienen.  Het is verleidelijk om het aan de Congolese cultuur te wijten. Dat voor hen seks is zoals eten en drinken, ze doen er niet preuts over. En voor eten en drinken betaal je toch ook?  Maar de waarheid is helaas dat zo een situatie tot stand komt omdat er vraag naar is, vraag in een omgeving waar iedereen de eindjes aan elkaar moet knopen. En vraag creëert aanbod, basisprincipe van de markteconomie.  Maar het blijft veelzeggend in een stad zoals Kinshasa. Door de totaal ongerechtvaardige oneven verdeling van de rijkdom krijg je zulke aberraties, even zoals de aberratie in vriendschapsrelaties waar hetzelfde motto geldt: wat levert het mij op? Hoe de economische realiteit ook liefde en vriendschap corrumpeert.

Stefanie Dhont

Geplaatst op 25 februari 2009 door Roland Legrand 2 reacties | Reageren

Congo lijdt

De recente verbroedering van Rwandese en Congolese legers om de FDLR te bestrijden in het Oosten van Congo vraagt om een beetje verklaring.

Het is ons reeds bekend dat Rwanda het niet al te nauw neemt met de souvereiniteit van Congo, en al jarenlang middels stromannen of rechtstreeks invloed probeert te verwerven in het Oosten van hun buurland (met alle humanitaire rampen vandien). Dit allemaal zonder al te veel gemor van de internationale gemeenschap by the way. Het Rwandees-Congolese conflict heeft sinds 1994 waarschijnlijk al meer slachtoffers gemaakt in Congo dan wij in onze statistieken kunnen gieten hebben. In ieder geval, een nummer valt er niet op te plakken. Deze moorden, mishandelingen en plunderingen worden in een dichte brousse uitgevoerd, op plekken waar geen weg naar leidt.  De slachtoffers zullen naamloos en gezichtloos blijven, en hun verhaal onbekend. En onbekend, is onbemind. (Wie heeft er ooit beweerd dat elk mensenleven evenveel waard zou zijn?)

Dus als we horen dat er ineens een pact gesloten wordt tussen het Rwandese en Congolese leger is het goed even stil te staan bij de dingen, must give us pause…
Wat zit achter deze zeer nieuwe en plotse liefde?

Laten we al meteen een ding duidelijk stellen: het gaat hier niet om het heil van de plaatselijke bevolking. Tweendens is het verhaal over het uitroeien van zogezegde FDLR militia ook met een korrel zout te nemen. Het gaat hier vooral om macht en geld.

Ik gebruik even een citaat van Kabila van maandag 2 februari: “Au Kivu et en Ituri depuis 1994, il y a une sorte de mafia constituée autour des groupes armés. C’est presque chaque tribu qui a une malice au Nord-Kivu, au Sud-Kivu et en Ituri. Et il y a toujours des tireurs de ficelles, soit sur place au Kivu ou à Kinshasa”.

Hij zegt wat iedereen al lang weet: In Congo, of het nu in het Oosten is of ergens anders, draait alles om de exploitatie van grondstoffen. Het is de nummer een, de nummer twee en de nummer drie op iedereen’s agenda.  Waarom? Omdat er veel geld mee te verdienen is.

Bovendien zit je in Congo met een situatie waarbij de centrale regering er niet in slaagt het land onder controle te houden (wat wel te verstaan is gezien de geografische werkelijkheid van dit land) Ten eerste is het FARDC, het Congolese leger, een van de geweldplegers in de DRC. Veel van de verkrachtingen en plunderingen die gebeuren in het diepe woud staan op hun naam. Nota bene de instantie die voor de veiligheid van hun volk moeten instaan. Ten tweede bestaat er geen enkel mechanisme van staatswege die ervoor zorgt dat de rijkdom van de mijnen terugvloeit naar de lokale bevolking.
Is het dan geen volstrekt te verstaan initiatief van de plaatselijke bevolking om zelf de kalasjnikov ter hand te nemen en op te staan voor eigen recht? En aangezien recht hier geregeld wordt met wapens en niet door rare mannen in lange gewaden en met pruiken op, komt dit neer om de creatie van de zogezegde militia.

In een gebied waar er meer kalashnikovs zijn dan mensen, is dit zeer snel geschied. Bewapende milities vormen zich die het heft in eigen handen nemen en mijntjes gaan beginnen exploiteren. Sommigen onder hen  kun je bijna volkse guerillabewegingen noemen, ze beschermen de bevolking soms meer dan het nationale leger.

Het uitroeien van deze militia in naam van de Rwandese genocide is een zeer intelligente strategie, maar niet zuiver op de graat. Natuurlijk zijn er nog restanten van FDLR (Forces Démocratiques de Libération du Rwanda, de ex-genocidaires)  in RDC te vinden, maar we zijn ondertussen al 15 jaar verder, en met een bevolking die de gemiddelde leeftijd van 45 met moeite haalt kun je stellen dat weinigen onder hen de genocide hebben meegemaakt als volwassen persoon. Zijn deze FDLR militia echt een gevaar voor Rwanda, zoals men maar al te graag laat uitschijnen in de internationale pers?

In artikels die je over Congo leest hoor je regelmatig het woord : “Hutu rebels” vallen. Je stelt je daar als brave belastingbetalende frietjesetende belg een wilde bende snoodaards bij voor die kost wat kost moeten uitgeroeid worden. De waarheid is helaas iets genuanceerder.

De “Hutu rebels” zijn in werkelijkheid overblijfselen van de in 94 op vlucht geslane Hutu’s uit Rwanda (In tegenstelling tot wat de Rwandezen willen doen geloven is niet elke op de vlucht geslane hutu per definitie een genocidaire) . Ze hebben tijdens de 15 jaar van hun leven in DRC vaak een nieuw leven opgebouwd en zijn relatief geintegreerd in de Congolese samenleving. Dat er militias zijn gecreeerd in bepaalde regios heeft vooral te maken met het gevecht om grondstoffen, wat in de wrede realiteit van Congo neerkomt op een gevecht om te overleven. En aangezien een rechtssysteem onbestaand is, het nationale leger in geen geval instaat voor de veiligheid van de bevolking, de ongewapende profeet altijd gedoemd is ten onder te gaan en wapens goedkoper zijn dan eieren hier is het logische gevolg dat zich groepjes vormen die bepaalde mijnen gewapenderhand verdedigen en exploiteren.

De waarheid is dus minder idealistisch en meer prozaisch van aard: het “uitroeien van die FDLR militia” komt neer op het herverdelen van de macht over natuurlijke rijkdommen in het gebied. Het is de Rwandese greep op het Oosten van Congo versterken.

Dat Kabila hiermee akkoord gaat is omdat hij niet veel keuze heeft. Zijn leger heeft nog een zeer lange weg te gaan indien het ooit in staat wil zijn op een deftige manier s’lands grenzen te verdedigen. Tegenover het Rwandese leger maken ze geen schijn van kans. Vandaar dat het Rwandese leger Congo binnen en buitenloopt als was het de deurdrempel van zijn beste vriend. Ze zullen het trouwens onderling wel op een akkoord kunnen gooien hebben waarbij elke partij baat bij heeft.

Kun je eigenlijk nog over een souvereine staat spreken hier? Is een staat niet in de eerste plaats een sociale gemeenschap waarin gezorgd wordt voor de inwoners? Wiens regering een volledige controle heeft op het grondgebied? Als men deze definitie van staat hanteert, dan kun je Congo geen staat noemen, eerder een gebied waar grondstoffen worden geexploiteerd, een soort van wingewest waar de meest bewapende eerst maalt. En de lokale bevolking, zij die zich Congolezen noemen en het ook zijn, zijn de slachtoffers.

Stefanie Dhont

.


Geplaatst op 28 januari 2009 door Roland Legrand 2 reacties | Reageren

3 heures le matin, Ibiza bar

Het is een zwoele vrijdagavond in wat ooit “uptown” Kinshasa was. Een expat, kraaknet wit linnen hemd, kostuumbroek  en perfect gekapt grijs golvend haar, stapt na een lange dag het hekken van de MONUC compound uit. Zijn naar aftershave ruikende propere en frisse verschijning steken af op de achtergrond van algemene verloedering die in de straten van Kinshasa heerst.

Voor iemand die city centre Kinshasa nog nooit heeft mogen aanschouwen is deze plek moeilijk te beschrijven. Dit Afrikaanse Manhattan bestaat uit jaren zestig architectuur in typisch Belgische stijl, maar zit nu al een halve eeuw lang in een proces van onaflatende verloedering. Dit wil zeggen: smerig uitziende grauwe reuzeflatgebouwen waar dagelijkse electriciteit en water definitief tot het verleden horen, met liften die sinds jaar en dag niet meer werken of alleen gebruikt worden voor de allertaaisten onder ons, de cowboys van Afrika, de hardgekookte avonturier die, niet zonder enig verlies van normaliteit, Kinshasa en zijn realiteit volkomen heeft geaccepteerd. Op de straten, ooit geasfalteerd maar nu voornamelijk bestaande uit putten van halve meters diep, afval en modder. Soms vegen ze het afval op een hoopje en stoken ze het op, een bezigheid die begint als duisternis valt en die de typische vieze geur van verbrand plastiek geeft die savond’s de stad overheerst. Het is ook een kenmerk van Kinshasa. Het is een van haar lijfgeuren.

De bedelaars, altijd op zoek naar die expat die hun een dollar of vijf kan geven, omcirkelen deze gecoiffureerde elegante VN-bureaucraat.  Ze zijn met een heel legertje, een paar rollen rond in in elkaar geflanste bakwagentjes, met hun in flarden gereten T-shirts en broeken, een oog mankerend hier, een been daar, kreupel of gebocheld. Hij stopt ze en aantal vieze briefjes Congolese franc in de handen in de hoop ze daarmee kwijt te spelen. Als straathonden die een kluif hebben gevonden spoeden ze zich weg, en hij versnelt zijn pas naar het restaurant wat verderop de straat.

Dat restaurant heet Cafconc, en is een icoon in Kinshasa. Cafconc wordt opengehouden door een Fransman die zich met veel wellust op de broekzakken van de rijke expat heeft gestort. Hij serveert kreeft aan 150 dollar, en chocomousse aan 20 dollar. Zijn fijne smaak combineert hij met een meedogenloze neus voor zaken. Als ik voorbijloop denk ik steeds aan het meisje met de zwavelstokjes. In zo een omgeving stel ik me haar voor. Miserie, armoede en honger rondom, maar binnen Cafconc knetterende kaarsjes, bordeaux-wijn en kreeft.

Mijn compagnon slaat de blinkende poort open, en verdwijnt in het sjieke interieur Ik zet mijn weg verder. Wat verderop een Congolees die zijn kapperszaak aan het opruimen is: Een spiegeltje, een oude barkruk en een schaar. Naast hem de belkredietverkoper, op een kapotte tuinstoel met een kartonnen doos als geimproviseerde toonbank, die nog een tijdje blijft zitten voor de expats uit Cafconc die belkrediet nodig hebben. Dit is de plek waar extreem arm en extreem rijk samen door de vuiligheid ploeteren van de kinoise straten, de een in een glimmende jeep, de ander in een zeepkist omgetoverd tot rolstoel. de een op weg naar Cafconc, de andere op weg naar een mundele die hem iets zal kopen, of een aalmoes wil geven.

Een aantal huizen verder, aan de zelfde kant van de straat van Cafconc vind je een klein bartje, met een grote houten poort. Er is altijd leven op een vrijdagavond. Het is de favoriete hang-out van expatnachtvlinders. Dan speelt er een Congolese live band Rumba en jazz nummers door elkaar en wordt er gedanst op het kleine dansvloertje tot in de vroege uurtjes. Het leuke aan Ibiza bar is het gevoel van tijdloosheid en geografische onbepaaldheid die je overvallen als je binnenstapt. Russische rondborstige blondines vermengen er zich met petites Francaises; Libanese machos met medewerkers van de Duitse corporatie. Allemaal staan ze vroeg of laat op de dansvloer om een poging te doen als de Congolezen sensueel in het rond te draaien (wat in het geval van de medewerkers van de Duitse cooperatie vaak tot hilariteit leidt bij ondergeschrevene).

In Ibiza bar is alles toegelaten. De Congolese hoeren vermengen er zich gemoedelijk met de expatgemeenschap, en de pinten gaan zeer veelvuldig over de toonbank. Terwijl de een aan het flirten is geslaan met twee ebbenhouten schatjes, zit de ander in een diepgaand gesprek verwikkeld over de pro’s en cons van de VN-aanwezigheid in Congo. Wat verderop een veteraan die al zijn hoop is verloren in ontwikkelingssamenwerking en dat met veel overgave verkondigt aan een knappe jonge brunette. Die laat het zich welgevallen terwijl ze van haar getrakteerde cocktail nipt. Voor de rest veel gewiebel en gelach op de dansvloer. Dat is Ibiza bar.

Ik vind een plaatsje aan de bar voor mij en mijn vriend Luigi, een Toscanees die als Civic educator in Kikwit werkt. Kikwit is de trou du trou du monde, le fin fond de la brousse. Als Congo voor vele mensen al het einde van de wereld voorstelt, is Kikwit het einde van het einde. Ergens aan de Angolaanse grens, in een stoffige uithoek, waar de grond het niet toelaat groenten noch fruit te kweken, ligt Kikwit. Vroeger was het de hoofdstad van de provincie Bandundu, la province perdu dans la brousse, waar infrastrucuur het slechtste is, waar niemand nooit aandacht aan heeft besteed. Nu is Kikwit zelfs dat niet meer, want ze hebben alle administratie overgebracht naar Bandundu (stad genaamd naar de provincie). Dus is Kikwit beroofd van electriciteit en water, en zo, gehemorriageerd, court-circuité, ligt het ergens op een vlakte in de immensiteit van de Republique Démocratique du Congo. Daar sensibiliseert mijn dappere vriend nu al  8 maanden lang de lokale bevolking. Il sème les graines de la démocratie. Ik bewonder zijn eenvoudige rechtlijnigheid in de taak die hem toebedeeld is. Op zich kun je je al vragen stellen bij sensibilisering van de bevolking voor de verkiezingen in Congo. En die vragen worden nog groter als je het in Kikwit moet doen. Maar ze stuurden hem naar Kikwit, en zonder zich al te veel existentiele vragen te stellen heeft hij zich het werk op de schouders genomen, zonder ontmoedigd te geraken door de situatie, zonder te verzinken in kritiek op het systeem of de onhaalbaarheid van zijn taak. Als een bakker die brood zal bakken, zal Luigi de bevolking van Kikwit sensibiliseren. Cynici mogen zeggen wat ze willen: “Aucun acte qui est fait dans un esprit de dévouement total est en vain”. Laat het een troost wezen.

In ieder geval, Education Civique was niet het thema van de avond. Het thema van de avond was “decompresseren!”. Wat we dan ook met volle overgave gedaan hebben. Gedanst tot in de vroege uurtjes, veel bier laten vloeien en met het bier in de man, en de wijsheid in de kan, vele verwoede gesprekken gevoerd met de aanwezigen in Ibiza bar over het wel en wee van Congo, het ja en nee van ontwikkelingssamenwerking en, last but not least: de kwaliteit van het bier.

Stefanie Dhont

Geplaatst op 9 januari 2009 door Stefanie Dhont 6 reacties | Reageren

Road to Mbandaka

Een heerlijke dinsdagmorgen is het als we vertrekken vanuit La Poubelle (koosnaampje van de Kinois voor hun stad, hun puffende en kreunende metropool van 9 miljoen inwoners zonder wegen noch riolering). Toch kan Kin er soms verrassend mooi uitzien. Heel tropisch Afrikaans, met lange wapperende palmiers langs oude verlopen koloniale gebouwen, en hier en daar een fel geel of roze geverfd kioskje dat “chez Bijou” of iets dergelijks heet, en dan de zwarte mensenmassa op de straten. Mooie mensen de Congolezen, dat wel, en wat een modebewust volk! Je staat er versteld van hoe stralend en kraaknet en trendy ze eruitzien, zelfs al wonen ze in een krot.

 Ja, soms heeft Kinshasa iets moois. Je moet wel een getraind oog hebben. Een oog dat zoekt naar de charme van de stad tussen het gehavende door. Allez, schoonheid voor de zoekers en de kijkers, wiens esthetische criteria verder reiken dan het voor de hand liggende postkaartmateriaal.

Deze morgen vertrek ik naar Mbandaka, de hoofdstad van de evenaarsprovincie, en het geboorteland van Joseph-Désiré (Mobutu). Désireeke. Zijn moeder kan het zich in haar stoutste dromen niet hebben voorgesteld, dat haar zoon, haar oogappel, de gewenste, ooit president zou worden van dit immense land, dat waarschijnlijk in haar geest nog niet eens een land was, maar eerder een wereld.  

Een wereld bestaande uit woud, uit torenhoge bomen. Geen wijdse horizonten maar een donker, naar humus ruikend woud. Een dampend, zwoel, en gevaarlijk woud. Dit is Equator. Uren vliegen we erover, zelden zien we een opening in de jungle. Een medepassagier merkt lachend op als we een constellatie hutjes zien: et voilà, daar ga jij verkiezingen voor organiseren.

We weten allebei dat het een gekkenwerk is. Dit gebied is enkel bereikbaar met helicopter, of met kano, en dan nog…De wereld van deze mensen bestaat uit hun dorp en het woud dat errond ligt. Kinshasa is enkel een woord voor hun, een echo van een vreemde wereld die ze niet kennen. Hoe organiseer je hier in godsnaam verkiezingen? Hoe begin je met burgereducatie en sensibiliseringscampagnes om die mensen het nut van de democratie bij te brengen? Velen onder hen hebben waarschijnlijk nog nooit een auto gezien…. Om maar een idée te geven voor welke uitdaging dit land staat.

Onze Oekrainse piloten (naar verluid fanatieke vodkadrinkers) slagen erin het Antonovtoestel (van bouwjaar ’68 te beoordelen aan het interieurdesign) aan de grond te krijgen, met de nodige krakende geluiden en veel gewiebel. Iedereen content.

De cowboyverhalen die je over deze Russische toestellen hoort, maken dat je zelf ook vodka zou beginnen drinken voor het opstijgen, kwestie van je nagels niet tot de nagelrand op te vreten bij de zoveelste luchtzak. Deze vliegtuigen zijn eigenlijk zo goed als klaar voor de schroothoop. Alleen de uitgestelde levering van nieuwe toestellen zorgt ervoor dat ze nog in de running zijn. Het inspireert gewoon niet zoveel vertrouwen, het verteerde rubber aan de ruiten, of de vieze gordijntjes die met veiligheidsspelden voor de doorgang hangen.

Maar ik heb me laten vertellen dat  deze Antonovtoestelletjes onverslijtbaar zijn en op een of andere manier betrouw ik de crew (je vraagt je eigenlijk af waarom, gezien hun reputatie als onverbeterlijke vodkadrinkers). Het zien er doorwinterde mansfiguren uit, die al zoveel meegemaakt hebben in hun leven dat het hun eerste tropische cycloon of rebellenbeweging niet zal zijn. Bij aankomst staan ze samen te hokken met sigaret aan een van de propellers en kijken je aan met een houding van “wie op mij indruk zal maken moet nog geboren worden”. Waarschijnlijk.

De ontvangst aan de Aeroport Internationale de Mbandaka is niet minder dan fantastisch. We worden door het lokale vliegtuigpersoneel zeer plechtig naar de wachtkamer geleid: een paar golfplaten rechtgehouden door een aantal pilaren, stijl kiekenkot. De service is er echter een aan Schiphol waardig. Beleefd en plechtig verzoeken ze ons plaats te nemen op de plastieken witte stoeltjes, tot een VN pickup onze bagage komt brengen. Op naar ons ontvangstcomite die, op hun paasbest, vanachter de muur van het piepkleine luchthavengebouwtje staat te piepen. Er worden enthousiast handen geschud, vele bisous uitgewisseld, en de ontmoeting is boven alles een serieuze sessie kaakspiertraining.

Mbandaka wordt omringd door woud, moeras en rivieren. De ontoegankelijkheid van het gebied en de onverdraaglijk hete, vochtige lucht vergeven van insecten, groot en klein, hebben zorgden voor een zekere isolatie waardoor Mbandaka  er waarschijnlijk nog precies zo uitziet als toen de Belgen er hun koloniale luxeleventje leidden en de stad nog Coquilhatville heette. Alle koloniale gebouwen staan er nog. We rijden de stad binnen langs de Avenue de la Justice, een brede laan met langs weerszijden kleine villatjes die perfect in Knokke-Le zoute zouden gepast hebben. Je ziet de dames al over de straat lopen, met witte parasols, of op hun patio’s zittend, terwijl een bediende hen koelte toewuift met een groot palmblad. Ondanks de deplorabele staat van de villa’s staan ze er toch nog, en worden ze gebruikt als overheidszetels.

Even verder zien we door de wapperende palmen heen de Congorivier, alhoewel rivier geen toepasselijke naam is, het is zoals een bulldog de naam Fifi geven. Welke naam deze kilometers breed uitlopende watermassa verdient weet ik niet, maar rivier is gewoon te banaal.

We worden ontvangen door “la division electorale à Mbandaka”. De bedoeling is om de realiteit op het terrein een beetje te polsen: te kijken hoe het met de warehouses staat, met de toegankelijkheid van de regio, en natuurlijk ook als een soort van “visite de courtoisie”, die de banden moet aanhalen en het enthousiasme terug moet leven inblazen om deze verkiezingen rond te krijgen.

Bij een visite de courtoisie horen ellenlange vergaderingen, veel chit-chat en bezoekjes aan allerlei instanties en gebouwen, wat betekent : s’avonds een weeë smaak in de mond, opgezwollen tenen van het rechtstaan, en een algemeen plakkerig en stoffig gevoel. Maar er is geen tijd voor rust. Mijn -trouwens zeer sympathieke-collega’s tronen mij mee naar het enige restaurant dat Mbandaka rijk is, in paillotjes die op palen boven de rivier zweven. Daar wordt ik getrakteerd op de lekkerste vis die ik ooit gegeten heb. De eigenaar van het restaurant is een Libanees die al jarenlang in Mbandaka woont.

Dat soort blanken die vergroeid zijn met de Congolese bodem (niet zelden door een Congolese vrouw) hebben bijna altijd iets stoffigs, verdroogd. Alsof hun houdbaarheidsdatum verstreken is. Alsof de hitte en de omgeving onophoudelijk aan hun vreet, en ze al hun veerkracht verliezen na een tijd. Ze zie er ook vaak uit alsof ze al 10 keer bijna bezweken zijn aan malaria. Waarschijnlijk is dat ook zo. Dat vreet ongetwijfeld ook aan een mens. 

Wat ze wel hebben zijn verhalen natuurlijk, om een hele avond mee te vullen. De Libanees, blij van eens nieuw volk over de vloer te hebben, vertelt ons over de pygmeeën in het bos die termieten gebruiken om wonden dicht te naaien, over een mens die is opgegeten door een 7 meter lang python, over kakkerlakken van 10 centimeter lang. Hij zei me dat we nog geen dag zouden overleven in het woud. Dat het een vijandig gebied is voor ons.

Mijn buik vol van de heerlijkste vette vis, en ook een beetje van de Libanees die blijkbaar zijn frustraties uitwerkt op zijn personeel die hij luidkeels afblaft, stort ik me even later op mijn bed neer. Hoe lang kun je eigenlijk normaal functioneren als Westerling in Mbandaka, interessante vraag... misschien beleeft elke blanke in de brousse van Congo vroeg of laat wel zijn “Mr. Kurtz”moment (“péter les plombs”, zoals de fransen het zo plastisch uitdrukken). Aangepast aan de beschaafde werkelijkheid zijn ze in ieder geval niet meer. Of was dat al weer een politiek incorrecte uitdrukking?

Geplaatst op 17 december 2008 door Stefanie Dhont 0 reacties | Reageren

Die dag in Brugge

Ik post voor de geinteresseerden twee artikels uit de Morgen over het conflict in Oost-Congo Download financiering_congo.doc Het eerste maakt de bevindingen van een VN-rapport openbaar. Bevindingen die terug duidelijk aantonen dat het in het Oosten vooral om geld draait. Rebellenlegers worden er vooral gebruikt om de winsten van een aantal mijnbedrijven veilig te zetten. Nkunda zelf gooit het ook over een andere boeg en werpt zich op als feodaal heerser die de inwoners van Kivu in een ingenieus pachtsysteem heeft ondergebracht.

Het tweede artikel is ook de moeite waard omlezen, vooral om de humoristische waarde ervan. Louis Michel heeft es goed met Kagame gesproken, van man tot man, en Kagame heeft zijn goeie vriend Michel op het hart gedrukt dat hij geen énkele, maar dan ook geen énkele band heeft met het CNDP van Nkunda ( "I did not have sex with that woman"). Komaan...

In ieder geval: ik wed dat iemand zich stevig verslikt heeft in zijn ochtendkoffie die mooie zaterdagmorgen bij het lezen van zijn krantje. Geen wonder dat hij (Soriano) zich in een interview in Le Vif Download le_vif.doc in alle richtingen keert om zijn naam terug schoon te krijgen.

Ik geef hem geen ongelijk, zelf zou ik niet graag geassocieerd willen worden met de vuile zaakjes in Oost-Congo. Enkel een Dutroux is nog een ergere pariah. Maar iemand die een rebellenleger sponsort die verkrachten, folteren, roven en plunderen hebben geincorporeerd in hun dagelijkse bestaan verdient in ieder geval een eervolle tweede plaats.

De volgende blog zou over de economische crisis moeten gaan die nu ook doorsijpelt in Congo (daling grondstofprijzen, stillegging van mijnen).Je vraagt je af of je dit volk, dat niks heeft, nog iets kan afnemen...

Geplaatst op 1 december 2008 door Stefanie Dhont Reacties | Reageren

Another inconvenient truth

Voor al wie geïnteresseerd is in de ware toedracht achter het Congolese conflict, dit artikel. Het zegt veel dat het artikel niet vanuit een Europese of Amerikaanse krant of tijdschrift is gehaald, maar dat het een (briljante) analyse is vanuit Aziatische hoek. Als je het artikel leest begrijp je waarom. Het verterkt mijn vermoeden dat diepgaande analyses over bepaalde onderwerpen een schaars goed zijn in onze kranten, of als ze er zijn, worden ze blijkbaar niet gepubliceerd. One wonders why.... Ik moet denken aan een spreuk die ik ooit las van een Russisch journalist ten tijde van het communisme: "The difference between our propaganda and yours [daarmee het westen aanduidende] is that we tend to disbelieve ours." Er is, zo vrees ik soms, in onze democratische contreien waar de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel gedragen wordt, wel vaker sprake van gekleurde berichtgeving, of veelzeggende "informatieve leegtes". We beseffen het alleen niet zo goed. Daarom is dit niet altijd de schuld van de journalist of van de grote persbedrijven (in wiens handen onze gehele berichtgeving ligt), maar misschien schuld van de bronnen die ze aangeboden krijgen. In ieder geval, wie dit ( lange) artikel doorworstelt, wordt beloond met een insider's look in de affaires van Congo en zijn relatie met de rest van de wereld. Het is ook een voorbeeld van hoe geopolitieke strategieen achter de schermen globale ontwikkelingen sturen, iets wat onze vrije en onafhankelijke pers niet altijd ten volle schijnt te beseffen. Download asian_times.doc

Geplaatst op 28 november 2008 door Stefanie Dhont 1 reacties | Reageren

De Gucht versus Michel

te Het is altijd een bizarre beleving om  langs de boulevard te lopen en een Congolese krantenjongen te zien staan met voor zich de krantenkop: “Mr Karel De Gucht provoque discussion”.... of “dissensions entre Mr Karel De Gucht et Charles Michel causent....”

Waarde landgenoten, we tellen nog mee, alleszinds in Congo! Terwijl de rest van de wereld denkt dat Belgie de hoofdstad is van Brussel, en dat Flamand een dialect is van l’Allemand, terwijl de rest van de wereld enkel plaats heeft voor Belgie in het rubriekje varia op de laatste pagina van de krant, scheren we hier de hoofdpagina weg! Sorrie Obama, in Congo hebben we vooral oog Voor Mr De Gucht et Charles Michel. We moeten er wel bijnemen dat de naam "De Gucht" voor de Congolezen een onmogelijke combinatie van klinkers vormt, dus meestal komt er een soort van onzeker “deguuuscht” uit als we het over onze minister hebben.

Jammer genoeg geven al die kibbelarijen niet echt het imago aan Belgie dat we zouden willen hebben. Elke dag krijgen de MONUC werknemers  alle artikels toegestuurd die er over Congo verschijnen in de internationale pers. Als Belgie dan ter sprake komt is het met irrelevante bekvechterijen tussen politici, waaruit we naarvoor komen als een land dat, alhoewel het een naaldeprik groot is er toch niet in slaagt om tenminste een imago van eenheid te creëren.

Het blijft een beetje sukkelachtig overkomen. Een beetje zoals de stam van Asterix en Obelix die voor de visboer altijd in een gevecht belanden door de discussie over de kwaliteit van de vis. Je vraagt je toch ook af waarom Charles Michel zo noodzakelijk achter de rug van Degucht moet gaan bij praten met Kabila? Echt blijk van discipline en orde in de politieke rangen geeft het niet, noch van professionalisme. Ik vraag me af of het toeval is dat het zich afspeelt tussen een politieker van Waalse kant en een van Vlaamse klant....

Wel vind ik dat het conflict een interessante dilemma heeft opgeleverd, een beetje hamletiaans zelfs (To be or not to be, that’s the question: to suffer the slings and arrows of outrageous fortune or to take arms against a sea of troubles and by opposing end them), waarbij De Gucht dan een soort moderne Hamlet zou kunnen zijn, die tegen beter weten in, tegen de normale gang van zaken in, de waarheid durft te zeggen. Zelfs al zwijgt de internationale gemeenschap en stemt ze door dat zwijgen al jaren in met de rampzalige corruptie en zakenvullerij die in Congo deel is geworden van de nationale identiteit, zelfs al denkt elke politieker “business as usual” “c’est la vie” of “wat valt er aan te doen?” onze man De Gucht neemt de wapens op, durft een koe een koe te noemen,  en besluit onverbloemd eens te zeggen wat hij eigenlijk vindt van Kabila en Co. Langs de ene kant  bewonder ik zijn frankheid, langs de andere kant denk ik : brengt dit zoden aan de dijk? Kun je hiermee een land als Congo in de goeie richting bewegen?

Los van de deze twijfel ben ik toch eerder te vinden voor de houding van Karel dan voor “business as usual” Charles Michel, die, gestoord door scrupules noch morele obstakels en onafgezien de ellendige situatie waarin de Congolees in de straat nu sinds jaar en dag vertoeft (dankzij zijn regering en de compliciteit van het Westen), geen enkele graat ziet in zakendoen met Kabila.

Maar dit vooral: de Belgische politiek moet es eenheid in zijn gelederen brengen, want naar de buitenwereld is het absoluut geen zicht, twee politiekers van een land dat een muizestrontje groot is die aant kibbelen slaan. En zich dan verwonderen waarom we de “laughing stock” zijn van de rest van Europa...

Ik had deze blog “MONUC, of dweilen met de kraan open”, willen noemen, maar: onder het motto van “the truth is never bare and rarely simple” wil ik proberen de situatie beschrijven waarin MONUC zich op dit moment vertoeft  op een iets meer genuanceerde wijze.

Langs de ene kant zijn we de organisatie waar de Congolese bevolking zijn hoop op laat rusten ( het Congolese leger heeft in het oosten van het land bewezen niet te kunnen instaan voor de bescherming van zijn bevolking, dus is het aan MONUC om die taak over te nemen). Maar MONUC kan enkel maar handelen tot zover zijn mandaat reikt, en dat is het beschermen van de bevolking maar niet het uitroeien van de reden waarom de bevolking beschermd moet worden, zijnde de rebellieën die sinds jaar en dag, en met verschillende intensiteit moorden, verkrachten, plunderen, geld aftroggelen, kortom: de Congolezen in het oosten beroven van een menselijk bestaan. Voor de bevolking is dit moeilijk te begrijpen. Zij worden keer op keer aangevallen, om dan naar de vluchtelingenkampen terug te moeten , al dan niet geescorteerd door MONUC troepen, waar hen de hulp wacht van de internationale hulporganisaties, die de vluchtelingen moet opvangen die er in de eerste plaats niet hadden moeten zijn. Het conflict in het oosten blijft dus verdersmeulen met af en toe eens een zware brand, maar echt uitgedoofd wordt het niet, door de onbeslistheid van de internationale gemeenschap wat betreft de acties die ze moeten ondernemen tegen Nkunda.

Geplaatst op 30 oktober 2008 door Roland Legrand 2 reacties | Reageren

Congo, een vergiftigd geschenk

‘S nachts word ik wakker van de regen. Ik kijk door de ruit en zie geen steek. De regen is als een gordijn, niks te vergelijken met wat we in Belgie kennen. Oorverdovend is het lawaai van keiharde regen op een golfplaten dak. De katten van mijn Libanese huiseigenaar zitten goed verscholen, zoals katten dat kunnen, weggemoffeld in de spleten en kieren van het gebouw.

Ik denk aan de voorbije dag, de menselijke tragedie die zich weer eens afspeelt in het Oosten van dit land. Deze avond stond bij de guardien van mijn apartementsgebouw ineens ook een politie-agent, ongetwijfeld betaald door Ali, de huisbaas die zijn voorzorgen neemt voor wat eventueel kan komen, namelijk onlusten. Als het in Goma regent, druppelt het in Kin.

Ik heb de indruk dat MONUC niet goed weet wat met de situatie aan te vangen. Ze krijgen maar geen versterking van troepen, en de commandant van de blauwhelmen, een Spanjaard die pas een aantal maand geleden is aangesteld, heeft er de brui aan gegeven “om persoonlijke redenen” (lees: hij wilde niet verantwoordelijk zijn voor een missie die op voorhand gedoemd is te mislukken. Romeo Dallaire indachtig wist hij waarchijnlijk maar al te goed dat alle vingers naar hem zouden wijzen bij het mislukken van de operaties, terwijl de ware schuld natuurlijk bij de politieke beslissingsnemers zit.)

‘Vous etes des complices avec le Rwanda!’ Dit kreeg ik deze morgen nog te horen van een paar kwade Congolezen op straat, een voorbode voor wat ons zouden kunnen te wachten staan hier in Kin. Ik ben dan maar kordaat en snel mijn kantoor binnengestapt. Voor de Congolezen is MONUC een bondgenoot van Rwanda. Hoe verklaar je anders dat de blauwhelmen nooit serieuze maatregelen getroffen hebben om Nkunda eens en voor altijd de deur uit te wijzen?

Als je er deze dagen als een Rwandees uitziet in Kinshasa kom je beter niet uit de deur. Niet omdat Congolezen in se een probleem hebben met Rwanda, wel door het menselijke leed dat Rwanda sinds 1994 de Congolese bevolking aandoet.

Je kunt moeilijk ontkennen dat het Rwanda is die dit land destabiliseert. Rwanda, een zakdoek groot, maar met ambities van een imperiale macht, loert al lang naar de eindeloze vruchtbare heuvels van hun buur, met ondergronden die hun gelijke niet kennen in rijkdom. Op de koop toe is dit vruchtbare reusachtige land een reus op lemen voeten. Een degelijke centrale macht is er niet, een gedisciplineerd leger al helemaal niet en strategie, visie, of diplomatieke skills zijn ook al ver te zoeken.

Dan is het gemakkelijk te verstaan waarom een ambitieus klein landje geen genoegen neemt met zijn 27000 vierkante kilometer en de 10 miljoen mensen die er al elk denkbaar vruchtbaar lapje grond hebben ingenomen. En de tragische speling van het lot wil ook dat Rwanda geen miligram diamant in zijn grond heeft zitten, geen goud, geen koper geen cobalt... niks. En dan moet je de grens over steken en je zit in het land van melk en honing, de plek waar God zijn uiterste best heeft gedaan om elk streepje land te voorzien van de edelste mineralen.

Je vraagt je af of Stanley het wist, of Leopold het wist, wat voor een geologisch schandaal dit land is. Velen zeggen dat de Belgen al goed wisten waar de rijkdommen zaten want soms is het frappant hoe de grenzen van Congo precies afgemeten zijn om nog net een hele mijn binnen hun grondgebied te hebben, alsof ze het op de meter berekend hadden.

Een sterk en krachtig Congo zou zijn inwoners tot een van ‘s werelds rijksten kunnen maken. Dit land heeft electriciteit voor geheel Subsahara Afrika, een van de grootste zoetwaterreserves van het continent, grondstoffen dat het een lieve lust is, vruchtbare landbouwgrond, hout, natuur, wild... Dat maakt de armoede en de miserie van de Congolezen zo tragisch.

Het feit dat Congo een zwakke speler is vergemakkelijkt het de buurlanden natuurlijk om een deel van de taart te gaan opeisen. Rwanda graaft dus al jaren de oostelijke ondergrond van Congo leeg, maar nu is het blijkbaar tijd om ook echt delen van het Oosten te gaan annexeren.

Ja, het feit dat Congo een zwakke staat is levert veel voordelen op voor vele mensen. Alles wat aan de Congolezen zou moeten toebehoren, het wordt voor hun neus weggejat. Je kunt niet anders dan medelijden met ze hebben.

Wat een vergiftigd geschenk hebben ze gekregen door geboren te zijn in een paradijs waar iedereen een stukje van wil.

Stefanie DHONT
United Nations MONUC
Kinshasa / D.R. Congo

Geplaatst op 29 oktober 2008 door Roland Legrand 0 reacties | Reageren

A day in the life

Om 6.30 uur gaat mijn wekker af… buiten de voorbodes van het dagelijkse lawaaiorkest in mijn straat. Het geclaxonneer is echter nog niet losgebroken. Hier en daar een Congolees die de morgen luidkeels begroet, in het Lingala. Ik kruip uit mijn bed, moe, alhoewel ik acht uur heb geslapen. Een vriend vertelde me dat dat de eerste tekenen zijn van een immuunsysteem dat het laat afweten.

Ik neem me voor vandaag grote inkopen te doen van groenten en fruit om mijn  legertje witte bloedcellen te revitaliseren. De malaria moet buitengehouden worden. Op blote tenen loop ik naar het koffieapparaat. Ritueel nummer een: koffie zetten thuis. Ik neem een potje yoghurt uit de frigo, een vergissingkje dat lekker smaakt. Een week geleden zag ik danone staan. 4 voor 995 FC, dacht ik en nam ze vrolijk uit de rekken. Het bleek 995 FC voor een potje te zijn (2 dollar).

Nu ja, goed voor het immuunsysteem, dit is de laatste dagen de parameter en het criterium voor al mijn activiteiten. Een goed immuunsysteem is in Kinshasa absoluut noodzakelijk. Schimmels,amoebes, wormen bacterien, bacillen, andere vormen van parasitaire organismen, allen woekeren ze hier volop. Dit is de baarmoeder van de wereld: vochtig, warm... hier groeit en bloeit alles in een enorm tempo, maar al het leven is wel in constante strijd verwikkeld met elkaar.

Er bestaan hier zelfs parasitaire bomen, wiens takken op den duur de andere boom verstikken.  Jij bent als mens dus een levend organisme dat zijn plekje in deze uterus mundus al strijdend moet zien te bewaren. Je wil niet doodgaan aan een schimmel in je hersenen.... ik toch niet.

Eens op het werk zet ik de computer aan en lees mijn mails. Ik besluit koffie te zetten, opnieuw. Ik vraag aan de kuisvrouw of ze de koffiezet wil schoonmaken maar met een lethargie, ongezien in het westen maar hier doodgewoon, mompelt ze traag dat ze dat later wel zal doen. Ik besluit later niet af te wachten en ga zelf met kan en filter naar de vieze toiletten om het daar in een lavabootje uit te kuisen.

Theorie 1001 over waarom Congo arm is borrelt in mij naar boven; Gebrek aan ondernemingszin, aan dynamisme. Deze kuisvrouw wordt vijfdubbel zoveel betaald als een dokter, of advocaat, dubbel zoveel als een generaal in het leger, maar de koffiekan uitkuisen dat is teveel gevraagd. Nu ja, het is niet eerlijk om het hele Congolese volk te vereenzelvigen met een kuisvrouw (die bovendien nog onsympathiek is ook).

En binnenkort zijn deze theorieën verleden tijd want ik heb hier het boek “Guns, germs and steel” liggen, die mij, als ik de kaft mag geloven, zal uitleggen waarom volkeren geëvolueerd zijn tot wat ze zijn nu. Het is niet biologisch bepaald, maar geografisch, volgens de auteur. Ik houd je op de hoogte. 

Maar, geografisch of niet geografisch, de manier ook waarop ze het vanzelfsprekend vinden dat internationaal geld hun ondersteunt, hun onderhoudt, hun het eten in de mond stopt, zonder zelf te werken aan de toekomst van hun land...Soms, bijvoorbeeld (ik zeg maar iets) op een blauwe maandagmorgen, kan het je mateloos irriteren.

Ik begeleid mijn collega, een nieuwe Mexicaanse, naar de Coordinator van de Cellule Logistique om haar voor te stellen, en we hebben meteen ook een vraag over het gebruik van de bus van CEI voor het transport van deelnemers aan een workshop. We vinden Bernard, een oude krokodil, heeft ongetwijfeld nog met Mobutu gewerkt, aan zijn bureau zittend.

Dit is meteen ook wat zijn functie inhoudt: aan het bureau zitten en baas zijn, het werk dat achter de titel “baas” schuilt, dat kennen ze hier niet: wie baas is, is baas. Punt. Dus Bernard zit wat baas te zijn terwijl we in zijn kantoortje binnenstappen. Na het nodige gelach en gehandjesschud en gepeil naar ieders gezondheid, beginnen we over de CEI-bus...en dan val ik even stil.

Terwijl ik met veel vriendelijkheid de vraag stel of het mogelijk is de bus te gebruiken voor het vervoer van workshopparticipanten, begint Bernard, zo heet hij, ongeneerd met zijn wijsvinger diep in zijn rechterneusgat te wroeten, terwijl hij me doodleuk door zijn vieze brilleglazen blijft aankijken.

Concentratie weg. Ik kan alleen maar denken aan deze oude Congolees die me doodleuk zit aan te kijken terwijl zijn wijsvinger diep in zijn rechterneusgat blijft steken.Als hij me uit mijn lood wilde slaan dan is het hem wel goed gelukt. Goeie strategie Bernard. “zwaai eens als ge boven zijt” had ik eigenlijk moeten zeggen.

We zijn hier natuurlijk om de democratie te ontwikkelen, niet om iemand te verwijten dat hij neuskotert waar anderen bij zijn  De leuze is “transfer of capacities” niet “transfer of social conventions”. Zoals boeren bij de Chinezen heeft neuspeuteren misschien ook een sociale betekenis. Misschien wel een teken van instemming....

We krijgen van Bernard te horen dat we de bus zeker kunnen gebruiken, maar het blijft zoals gewoonlijk heel vaag. Waar staat de bus, kan die naar hier gebracht worden? Om welk uur? Planning is niets voor de Congolezen. Ik ren na deze ontmoeting naar mijn bureau voor mijn ochtenddosis cafeine. Het is negen uur en ik heb al het gevoel dat een pauze welverdiend is...

Even later is het meetig van de Electoral Division. Er zit een nieuw gezicht in de zaal, een niet onaantrekkelijk gezicht ook... Deze bebaarde jongeling, zo blijkt later,luistert naar de naam Simone Bellagotti. Alleen de Italianen....

Hij komt natuurlijk erna nog koffiedrinken bij ons terwijl hij in een hemels Frans met Italiaans accent uitlegt hoe hij in Oostende heeft gewoond vijf jaar, hij zingt zelf een aantal zinnen van “le plat pays” van Brel, en bekent zijn liefde voor Gent en de eeuwig melancholische Noordzee.

Dat noemen ze nu eens: to take by a storm. Langs de neus weg ook nog even een afspraak gemaakt om te gaan eten. Mijn baas komt later om de hoek leunen met de woorden: “t is ook wel iemand die er geen gras laat over groeien.” My feelings exactly....
Maar, schone jongen, het moet gezegd worden.

Martin (mijn baas dus) heeft vandaag water in zijn kelder staan. Hij heeft een te kore broek aan, en daaronder zijn bergbottinen (van het klassieke type, met rode veters) Het is zijn gewoonte niet van clownesk voor de dag te komen, maar ik laat het voor wat het is. Het wordt pas echt grappig als hij later op de dag, geïrriteerd komt ijsberen in ons bureau om zijn onvrede over zijn femme de menage te uiten. Blijkt dat hij haar al tientallen keren heeft uitgelegd hoe de wasmachine werkt maar ze schijnt het maar niet te stappen.

Nu wordt het me duidelijk...Ik staar naar zijn, nu zie ik het pas echt, veel te korte broek, en ik moet opletten om niet in een onbedaarlijke lachbui te schieten.Ik gok dat hij die bottinen dan maar heeft aangetrokken omdat moccassins onder die broek pas echt een hilarisch zicht zouden geven. Ik zie hem al voor de spiegel deze morgen: “zou ik deze schoenen...neen, dan maar mijn bergbottinen, zorgvuldig sokken uitkiezend die niet te veel opvallen...."

's Avonds, na het werk aan de plan de conditionnement du matériel d’Education Civique (ik bespaar je de details), na de lunch met Simone Bellagotti, en na het komisch interludium met mijn baas in de hoofdrol naar huis. De avond wordt afgesloten met een pint in de 3615 met enkele van de crew van de Belgische C130 die hier goederen transporteert van Kananga naar Kinshasa en dan tbed in. Morgen een nieuwe Congolese dag...   

Stefanie DHONT
United Nations MONUC
Kinshasa / D.R. Congo




Geplaatst op 29 september 2008 door Roland Legrand 0 reacties | Reageren

Tranche de vie Congolaise

We zitten recht tegenover de grote mangoboom waarvoor Chateau Margeaux bekend is. Het avondlied van insecten en reptielen die in de spleten van het gebouw schuilen is in volle gang en de Congolese dienstertjes lopen in de hun eigen langzame sensuele tred over de houten planken van het terras. In de bomen flikkert de naam van het restaurant in kerstverlichting.

Op het terras weerklinken de gedempte stemmen van het internationaal allegaartje dat om een of andere reden in Kinshasa is verzeild geraakt. Diamanthandelaars en ontwikkelingssamenwerkers vermengen zich gemoedelijk met de Congolese beau monde van Kin. Er word veel elegant gewuifd en diplomatisch gelachen; stevige handdrukken worden uitgedeeld.

Dit is een wereldje dat bestaat uit alle rassen en nationaliteiten maar wordt gekenmerkt door een iets: geld. Bongo. op dit eilandje van welvaart en gemoedelijkheid in Kinshasa, waar spaghetti carbonara en biefstuk worden geserveerd alsof je in eender welk restaurant in de rue des bouchers zit, is iedereen elkaars vriend. Rechts van mij zit een forse vent met een tonic voor zijn neus.

Ongetwijfeld een dikbetaalde veiligheidsagent die voor privebedrijf of internationale organisatie de veiligheid van het personeel garandeert. Om de vijf minuten kijkt hij naar zijn GSM, drukt hij een paar toetsen in, om dan terug een slok van zijn tonic te nemen en voor zich uit te staren. Het is alsof hij door de focus op zijn GSM zijn alleen-zijn wil verjagen.

Hij heeft een tafel in het hoekje van het terras uitgekozen, om zoveel mogelijk uit het zicht te zitten en schijnt zich niet bezig te houden met het observeren van anderen, een van mijn favoriete hobbies, die ik hier ten volle kan uitleven.

Een Spaans koppel schuin voor hem is in een zeer geanimeerd gesprek verwikkeld, De vrouw in een cremekleurig ensemble, maatwerk uit een of andere dure stof, hij in elegant kostuum van de laatste mode. Dit moeten leden van de VN-elite zijn, die zich in elk oorlogsgebied een luxueuze expatcocon weven waarin ze zich perfect thuis voelen.

De gerante van dit restaurant, waar de Congolese miserie met veel zorgvuldigheid wordt buitengehouden is volgens het Kinoise roddelcircuit een verre nicht van Mobutu. Nooit opdringerig, maar altijd alert en voornaam loopt ze van tafeltje tot tafeltje en informeert naar het welzijn van haar klanten. Het is een charmante verschijning: een dame, zonder madam te zijn, een vrouw, zonder het meisje in haar te zijn verloren.

George, mijn goedmoedige Zuid-Afrikaanse vriend (ik noem hem de zuidafrikaanse en roste versie van Wim Opbrouck), bestelt een gin tonic, ik blijf bij een Mutzig, het lokale bier. We praten over de vliegtuigcrash een maand geleden in Bukavu. George is chef van de Aviation, fire and rescue unit van de MONUC, en het is die unit die op zoek is gegaan naar het neergestorte vliegtuig van Airserv, dat een aantal weken geleden tegen de flank van een berg in het Kahuzi-Biega park is terechtgekomen.

Hij vertelt me, ontdaan, hoe het hele wrak, inclusief de lichamen, was geplunderd toen ze toekwamen. Dat is nu het verwonderlijke aan George, een stevige vent, met een bierbuik waar zelfs de grootste tooghanger in Vlaanderen een puntje aan kan zuigen: hij heeft de gave van na 5 jaar in dit land nog altijd ontroerd en geshockeerd te zijn over gebeurtenissen waar de meeste mensen na de eerste maanden al gewoon aan geraken.

Met zijn grote droevige ogen kijkt hij me aan en stelt zich luidop de vraag hoeveel overlevenden er nog zouden geweest zijn. Volgens hem moeten er direct na de crash nog een aantal geweest zijn die niet op slag dood waren.

In de stilte vraag ik me, net zoals hem af, of de plunderaars zelfs de nog levende lichamen hebben geplunderd.

Je hoort dit soort verhalen hier vaak. Laatst hoorde ik hoe na een auto-accident de gewonden door de omstaande meute zonder enig omhaal werden beroofd van halsketting tot kousen. Het schijnt hier normaal te zijn.

George is opgegroeid in een cattlefarm op de grens met Botswana. Het een van die echte rurale Afrikaners, die met veel liefde en passie over zijn land spreekt. Als ik hem mag geloven, is Zuid-Afrika het paradijs op aarde, te vergelijken met geen enkele andere plaats op de wereld. Het is een grappig figuur, een gevoelige ziel gevangen in een immens robuust lichaam.

We bestellen, ik ga voor de capitaine filet, op een bedje van spinazie, met rijst.George neemt de steak au poivre met frieten. Ik had niets anders verwacht. George is niet het type dat een slaatje met geitekaas en honing bestelt. Na ons gesprek ben ik ervan overtuigd dat ik ooit naar Zuidafrika ga gaan wonen. Ik kon George niet van het tegenovergestelde overtuigen, dat hij ooit es Belgie moet bezoeken.

Nochtans, ik had hem kunnen vertellen over de heerlijke trappisten die we op het weekeinde in Vlaanderen met zn allen  in gigantische kwantiteiten achterover slaan, en de joviale gesprekken en discussies die erbij gevoerd worden.

Hoe frietkoten een soort van nationale trots zijn, en dat je als je in Belgie bent, minstens een keer om twee uur snachts dronken in een verlept frietkraam aan de kant van een steenweg moet staan om bitterballen en friet met andalousesaus te bestellen.

Dat dat Belgie is, meer als zijn kathedralen en kerken (en politieke problemen). Dat de altijd treurige Noordzee ook zijn charmes heeft en dat er verschillende tinten van grijs bestaan. Schoonheid zien in een verlepte, regenachtige, en volgebouwde kust, met tearooms die “de Chamonix”of “Acapulco” heten, en waar je wafels met kandijsuiker kan eten, die niet eens zo lekker zijn.... misschien is het enkel weggelegd voor de expat die duizenden kilometers ver weg van huis is om over ons landje lyrisch doen.

Het is in ieder geval niet weggelegd voor deze Zuid-Afrikaan die opgegroeid is met wijdse horizonten, en zonsondergangen in alle kleuren van de regenboog. Ik neem het hem niet kwalijk.

Mensen denken vaak van Afrikaners dat het racisten van de zuiverste soort zijn. Wel, Georges is het levende bewijs dat dit niet zo hoeft te zijn. Georges noemt de Congolezen puur en ongeschonden (alhoewel dit alweer niet politiek correct is: maar ja, ik ben er al achter dat politieke correctheid een vorm van bekrompenheid is). Voor Georges zijn de Congolezen slachtoffers, slachtoffers van hun eigen rijkdommen. Hij heeft het over hoe iedereen gebruikmaakt van hun onaangepastheid  aan het huidige wereldsysteem. En ik kan hem geen ongelijk geven.

We betalen, ik neem afscheid van het Spaanse koppel dat nu de man met de weelderige haardos met zijn monoloog is gestopt, een beetje verweesd elk de andere kant op aan het kijken is. Misschien toch niet zo een dynamische relatie meer, denk ik bij mezelf. Misschien is de vermoeidheid ingetreden, ook bij dit koppel. Ik laat ze achter om met Georges naar de Colibri te trekken, een oude kroeg dat nog dateert van de koloniale tijd, inclusief personeel en clienteel. 

De tachtigjarige kolonel die “Le Colibri” openhoudt zit op zijn vaste plek weggedoken achter de bar. Zijn lichaam dat als een halfvolle zak meel op een barstoel door iemand lijkt neergeploft heeft elke spier waaraan het moest worden opgetrokken verloren.

Op zijn enorme en majestueuze neus een brede montuur, van een model dat ooit in de mode moet zijn geweest maar dat al lang niet meer is, en zijn lippen als door rigor mortis verstijfd. Het zijn echter zijn ogen waaraan je ziet dat er een heldere geest moest schuilen in het bijna levensloze lichaam. Ze fonkelen met de kracht van sterren vlak voor ze uitdoven.

We zetten ons op de grote oude barkrukken, waar deze dagen zelden nog iemand aan plaatsneemt, en de oude kolonel doet in een soort van Lingala gemengd met gebarentaal teken aan de Kongolese ober die in volkomen lethargie aan komt gesloft met een vod en een oude kaart. We bestellen Whiskey. Jack Daniels Black label. Die worden voor ons neergezet op de oude massiefhouten toog.

Aan de muur hangen oude posters van de legendarisch fight tussen Mohammed Ali en Georges Foreman in Kinshasa. Het evenement is de geschiedenis ingegaan als “The rumble in the jungle”, en er zijn verhalen van hoe Mohamed Ali kwam joggen in de straten van Kin, en hoe heel Kinshasa op straat zijn naam kwam scanderen dat het tot ver buiten Kinshasa hoorbaar was.

Georges en ik praten nog over de ellende in het oosten van het land.  Hoe er deze week bericht kwam van 100 000 displaced people, op de vlucht voor de gevechten. Ik vraag me af of het het VRT-journaal heeft gehaald, of op de hoeveelste pagina in de kranten het heeft gestaan, overschaduwd waarschijnlijk door de hetze in eigen land, en de financiele crisis.

Hier wordt uitzonderlijk weinig gepraat over de financiële crisis. Ik hoorde vandaag op de radio dat Afrikaanse leiders vreesden voor een vermindering van ontwikkelingsgeld door de financiele ellende in het Westen. In die mate is de economische crisis hier belangrijk. Voor de Congolees in de straat zal er in ieder geval geen verandering voelbaar zijn. Voor zij die alles reeds verloren hebben is deze crisis geen dreiging. De mango’s blijven groeien aan de bomen, en geiten zullen er altijd zijn om geslacht te worden.

Het laatste druppeltje whiskey word uit het glas gezogen en George en ik zijn klaar om elk hun weg te gaan, hij naar zijn villa in Macompage (een residentiele maar gevaarlijke villawijk), ik naar mijn smoezelig apartement in the city, waar geclaxonneerd, gezongen en geroepen wordt tot diep in de ochtendlijke

Stefanie DHONT
United Nations MONUC
Kinshasa / D.R. Congo

Onze blogs

Meer