Een ander jaar in Congo
Alle begin is moeilijk, en herbeginnen al even moeilijk als beginnen. Iedereen die ooit een marathon heeft gelopen en zich erna, door kinderen, een veeleisende job, of teveel sociale verplichtingen heeft zien evolueren tot een iets te dik, licht onfit, rokend individu die net die pint te veel drinkt elke avond, weet waarover ik het heb. De draad terug opnemen is niet evident. Hoe moet je beginnen, waar te beginnen, heeft het wel nog zin om te beginnen? Dat soort vragen stelt zich een mens die de neiging heeft tot vragen stellen. Maar kijk, ik zit hier en ik probeer. Ik houd te veel van schrijven, en ik kan gewoonweg alle bedenkingen die dagelijks door mijn hoofd passeren niet langer voor mezelf houden. Ik moet ze neerschrijven, al was het maar om iets tastbaar over te houden aan de gevoelens en de gebeurtenissen die me hier ten deel vallen.
Zo vind ik mezelf terug, op dit avondlijke uur 1930h, op de achtergrond de chaos van de boulevard 30 juin, voor de computer ik, elke dag een dagje wijzer, een dagje verwarder, over de wereld waarmee ik geconfronteerd word.
We schrijven 3 november 2009, in Congo, business as usual. De verkiezingen bevinden zich nog immer in hetzelfde stadium als enkele maanden terug. Een impasse. Ik kom net terug van een onderonsje met een Ivoriaanse collega. Ik weet nog altijd niet hoe me te gedragen in deze vreemde wereld van culturen die ik niet ken. Want groter nog dan de uitdaging van in Congo te leven, is de uitdaging van voor de Verenigde Naties te werken.
Hoe ga je in godsnaam om met een 49-jarige Ivoriaan? Hoe ziet hij het feit dat ik als jonge blanke en alleenstaande vrouw een pint wil gaan drinken met hem? Ziet hij het als een aanleiding tot iets meer? Kan hij het interpreteren als een vriendelijke geste van iemand die gewoon zin heeft in een deugddoende pint na een harde werkdag? De Afrikaanse vrouwen, in hun kleurrijke boubous op de trappen van het gebouw waarin ik werk hebben in ieder geval al een interpretatie klaar: er is iets meer tussen die twee.
Hier hebben de mensen niet veel nodig om te beginnen babbelen. Iets wat ik nooit heb begrepen: waarom praten mensen zo graag over andere mensen? Waarom vinden ze het zo plezant om allerlei hypotheses te bedenken over andermans leven en die dan als feiten te gaan proclameren aan iedereen die het horen wil? De dynamiek van het roddelen, een van de mindere nobele aspecten van het mensdom.
Terwijl we onze pint drinken in een bar aan de boulevard zie ik mijn excollega binnenkomen. Hij heeft me niet gezien en zet zich aan een tafeltje met een congolese die minstens 30 jaar jonger is als hem en wie hij innig op de mond zoent. Niks speciaals. Hier hebben (bijna) alle expats een congolees vriendinnetje. Het is een van de dingen die horen bij een non-family duty station (VN-jargon voor die gebieden waar VN-personeel zijn familie niet kan meebrengen).Wat hun natuurlijk niet belemmert om thuis een gezin te onderhouden en elke twee maanden braaf de vlieger te nemen voor een visite aan de familie. Geld hebben ze genoeg, en geld hebben ze nodig, ook voor het Congolese vriendinnetje. Want voor congolese vrouwen is dit een commerce als een ander. Hier geen tijd en ruimte voor luxes zoals verliefd zijn, romantische idealen en dromen van de ware jacob. Congolese vrouwen weten al heel vroeg wat hun lichaam waard is en wat ze ermee kunnen bereiken, en daarin zijn ze een pak minder naief als westerse vrouwen, die dat pas beseffen als hun glorietijd voorbij is.
Soms voel je je hier als westerse vrouw misplaatst. Als je bijvoorbeeld in een bar terechtkomt waar mannelijke expats zich te goed doen aan hun drankje terwijl op de dansvloer Congolese vrouwen zich in allerlei bochten wringen om de aandacht te trekken. Hoe later op de avond, hoe wanhopiger hun pogingen. Tot ze met de handen in het kruis van het tooghangend publiek beginnen te graaien.
Zo een situaties doen me altijd weer denken aan een scene die me is bijgebleven uit een franse film, “Nathalie”. Fanny Ardant die op een bepaald moment, ze is dan al ver in de veertig, in een luxe prostitueebar belandt, waar ze weet dat haar man in de film (Gerard Depardieu) een rendez-vous heeft. Haarzelf geen houding wetend bestelt ze zich maar een whisky, en zit ze daar, een aandoenlijke vrouw op leeftijd, die verdwaasd kijkt naar de taferelen die zich voor haar afspelen. Als een vreemde eend in de bijt, the odd one out. Het element dat niet in het plaatje thuishoort.
Zo voel je je hier soms… ongepast. Overal waar je komt zijn er vrouwen die klaar zijn hun lichaam te geven voor een tien dollarbiljet. Hoe mooier ze zijn, hoe meer eisen ze stellen. De mindere godinnen moeten het stellen met de straatkant en een minirokje, de benen provokerend openend als je om elf uur s avonds langs bepaalde wegen naar huis rijdt. De knappe vrouwen, die misschien zelfs een job hebben als femme de menage, of secretaresse kunnen het subtieler aanpakken. Maar allemaal grijpen ze de gelegenheid aan waar ze geld kunnen verdienen. Het is verleidelijk om het aan de Congolese cultuur te wijten. Dat voor hen seks is zoals eten en drinken, ze doen er niet preuts over. En voor eten en drinken betaal je toch ook? Maar de waarheid is helaas dat zo een situatie tot stand komt omdat er vraag naar is, vraag in een omgeving waar iedereen de eindjes aan elkaar moet knopen. En vraag creëert aanbod, basisprincipe van de markteconomie. Maar het blijft veelzeggend in een stad zoals Kinshasa. Door de totaal ongerechtvaardige oneven verdeling van de rijkdom krijg je zulke aberraties, even zoals de aberratie in vriendschapsrelaties waar hetzelfde motto geldt: wat levert het mij op? Hoe de economische realiteit ook liefde en vriendschap corrumpeert.
Stefanie Dhont
Laatste reacties op onze blogs