Home Markten Live Netto Sabato

april 2008

Geplaatst op 29 april 2008 door Wijntijd 5 reacties | Reageren

Hoe verleid ik wijncritici?

Wijnneus_edited1 Toen ik onlangs in Parijs was, vertrouwde een goede kennis - die de internationale en vooral Franse wijnwereld als zijn broekzak kent - me toe dat hij zich zorgen maakte over de toekomst van het 'koningspaar' Bernard Magrez-Gérard Depardieu. De ene een schatrijke zeventiger en tycoon (o.a. nu eigenaar van Château Pape Clément), de andere een ondertussen al even gefortuneerde filmster én wijnbouwer, die samen een zakelijk wijnverbond hebben gesmeed.

Depardieu wordt door Magrez al jaren uitgespeeld als lokvogel en ambassadeur om zo journalisten en belangrijke relaties aan zijn internationale proeftafels te krijgen. Op zich zijn volste recht, zeker als je bedenkt dat het dynamische duo samen nu al belangen telt in zo'n 35 domeinen (en domeintjes), verspreid over alle continenten.

Mythevorming

Maar mijn kennis vertrouwde me letterlijk toe: "Ik vrees echter dat ze in hun eigen mythe zijn gaan geloven. Ze beginnen echt te overdrijven in de manier waarop ze de markt bespelen. Het heeft soms nog weinig te maken met wat tenslotte het belangrijkste moet zijn: de wijn." We zijn nog geen maand later en ik begrijp nu pas écht wat hij bedoelde. Druiventycoon Magrez brak zelfs met het Franse communicatiebureau dat hem op wijngebied mee groot had gemaakt, wegens meningsverschillen over de te volgen sales - en marketingpolitiek (sic). Hij ruilde deze vaste partner plots in voor een puur Brits PR-bureau dat een tijdje geleden 40 'wijnjournalisten' uit de hele wereld inviteerde voor een etentje in het Restaurant du Plaza Athénée van multi-sterrenkok Alain Ducasse. Op zich nog altijd geen probleem, maar de verzamelde 'gespecialiseerde' wereldpers - althans naar de normen van dit Britse bureau - kreeg meteen als cadeau voor hun komst een 'Tank Must de chez Cartier' rond de pols. Marktwaarde van dit kleinood: 1.610 euro, inclusief een gesigneerd authenticiteitdocument van een Bordelaise horlogemaker.

Laten we een kat een kat noemen: op de sportladder van de verwennerij staan de wijnjournalisten zeker niet numero uno. Autojournalisten die in business of first class de halve wereld worden rondgevlogen en daarna nog wekenlang een testexemplaar van een onbetaalbare bolide onder de billen krijgen - alsof wij als wijnchroniquers dagelijks 10 keer dezelfde grand cru classé moeten proeven om een oordeel te kunnen vormen - zijn beduidend talrijker. Zeker buiten België. En ook in toerisme of mode ("leuk, dat Hermes-sjaaltje in mijn press bag" of "in de vorige 5 sterren de luxe hotel vond ik de cocktails toch beduidend beter") balanceert men geregeld langs het morele randje, maar er bestaan toch nog absolute, zeg maar ethische limieten aan deze beïnvloeding? En het 'doel' en de 'middelen' moeten toch minstens iets met elkaar te maken hebben?

Trop is Teveel

Voor mij persoonlijk geldt daarom één norm: ik wil als wijnbespreker altijd de fles, het eindproduct van zoveel vakmanschap en passie, in alle rust en eerlijkheid kunnen taxeren. Punt amen en uit. Hoe sympathiek of irriterend ik de wijnmaker/eigenaar persoonlijk ook inschat of hoe prachtig/pietepeteuterig het wijndomein er uitziet. Wat telt is wat in ons glas drijft.

Wanneer marketing en verwennerij - die ik zeker niet verfoei, maar ze moeten in verhouding blijven - echter belangrijker worden dan deze flesseninhoud of deze zelfs 100% overschaduwen, dan zitten we volgens mij fundamenteel fout.

Want het zal toch de eindconsument zijn die de factuur van zulke dure excessen uiteindelijk betaalt. Zo valt mij in dit specifieke geval toch op dat sommige exclusieve Depardieu-wijnen enorm lekker, modern en sexy smaken, maar objectief minstens 20 à 30% te duur zijn. Net zoals Château Pape Clément uit de Magrez-stal, toch een gereputeerd domein uit de Graves (marktprijs rond de 200 à 220 euro/fles), in het legendarische millésimé 2005 iets teveel 'geprepareerd' lijkt voor o.a. de Amerikaanse markt.

Als het u gerust stelt: ik heb géén Cartier-object aan mijn pols hangen. Wie mij dit voorstelt, zal het de week daarna meteen op eBay vinden, waarna de opbrengsten naar een goed doel gaan.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 26 april 2008 door Wijntijd 0 reacties | Reageren

Wijnkritiek en Big Business

In Sabato kon u lezen over het officieuze wereldkampioenschap chardonnay, dat al voor de 15de maal georganiseerd wordt door Chardonnay-du-Monde. Een organisatie die blijkbaar een bezige bij is, want op de website ontdekken we dat gelijkaardige competities plaatsgrijpen voor uiteenlopende wijntypes als 'Muscats du Monde', 'Effervescents du Monde' (mousserende wijncompetitie) en 'Syrah du Monde'.

Ook al juichen we absoluut vergelijkende wedstrijden toe, toch kunnen we enkele kritische kanttekeningen maken bij dergelijke megamanifestaties, waar tenslotte een pakket medailles worden uitgereikt. Terecht of niet-terecht toegekende medailles waarop nog steeds veel consumenten zich blind staren en die dus commercieel een flinke toegevoegde waarde bezitten.

Jury en jetlag

Mijn eerste kritiek richt zich op de aard van het jurywerk. Ik spreek daarbij uit persoonlijke ervaring, want ik run voor al mijn publicaties zo’n 4 professionele teams met samen 20 vaste kernproevers, die voor specifieke projecten worden aangevuld met een 30 à 40 'gewone' consumenten. En dat blijkt reeds een hele klus. Het vraagt namelijk altijd enorme inspanning om deze gelegenheidsproevers met vergelijkbare criteria aan het werk te zetten, om te vermijden dat extreme of wilde waarderingen elkaar statistisch opheffen in nietszeggende middenscores.

Maar als ik dan zie dat deze Chardonnay-du-Monde competitie eventjes 953 wijnen laat proeven door ruim 300 gelegenheidsproevers, die misschien maar enkele sessies meemaakten - want dat wordt vaag gelaten - , dan ben ik toch sceptisch. Hoe zet je zo’n megajury namelijk op één lijn?

Volgens de website worden de proevers 'grondig getest' in het Institut Paul Bocuse, maar dat is tenslotte toch maar een hotelschool met een vooral internationaal studentenbestand, die natuurlijk vooral drijft op de naam van de sterrenkok. Blijkbaar is dat ook een zijtak van het businessplan, want Chardonnay-du-Monde organiseert ook trainingen om 'expert judge' te worden voor haar wedstrijden. En verder wordt er geproefd met gecertificeerde evaluatieformulieren, zo lezen we.

Misschien zie ik het allemaal te zwart in, maar het is voor mij toch een beetje teveel een sfeertje van ons-kent-ons en ons-bedient-ons. Want hoe je het ook draait of keert: de 300 blijven gelegenheidproevers met een soms totaal andere culturele wijnachtergrond, dus ook met 'nationale' en individuele smaakprofielen of scorenormen, zeker tijdens zo’n monsterdegustatie, waar ze dan nog aanschuiven met jetlag in de kleren. Monsterdegustatie waarbij bovendien zowel zoete dessertwijnen, als mousserende én stille chardonnays worden getoetst. En over de prijsverschillen tussen de bijna 1.000 crus lezen we ook geen letter.

Hoe vergelijk je dan in godsnaam die 3 smaakfamilies en diverse prijsvorken via 300 gelegenheidsjuryleden?

Er werden de voorbije jaren al voldoende experimenten opgezet met bvb. parallelle proefteams - en flessen in de VS en het VK, waaruit dan bleek dat de Atlantische Oceaan wel degelijk een smaakbarrière vormde. Wat de Amerikanen lekker vonden, viel niet altijd in de smaak van de Britten en vice versa.

Opvallend: ruim de helft van de jury voor deze Chardonnay-du-Monde bestaat uit Fransen. Helemaal koosjer lijkt me dat toch ook niet als je een wereldwijde wedstrijd opzet. Kortom: in z'’n multinationale monsterproeverijen worden 'vuur' en 'water' vermengd. En zoals we weten geeft dat vaak véél gesis…

Kassa kassa

Maar mijn tweede kritiek richt zich vooral op het soms zwaar betalende karakter van initiatieven zoals deze Chardonnay-du-Monde of het Concours Mundial du Vin, die andere competitie die soms zo gul blijkt met bekroningen. In de internationale Chardonnay-wedstrijd werd maar liefst bij 1/3 van de gepresenteerde 953 wijnen een medaille opgeprikt: 60 keer goud, 202 keer zilver en 55 maal brons. Lijkt me toch verrassend veel. Misschien logisch als we bedenken dat deze competitie voor de organisatie vaak keiharde business vormt.

Reken zelf maar uit: wie mee wil spelen, betaalt 170 euro, los van het eventuele 'technische proefrapport' dat nog eens 30 à 45 euro kost. Stel dat iets meer dan de helft effectief dit rapport bestelt, dan komen we toch snel op bijna zo'n 180.000 euro inkomsten bruto, los van trainingssessies. Niet slecht voor een event van 4 dagen.

Nogmaals, ik beweer niet dat hier gesjoemeld wordt en ik onderstreep graag dat in bepaalde hitparades zéér fraaie flessen worden opgenomen, maar als er zoveel geld mee gemoeid is, verhoogt toch vanzelfsprekend het risico op selffulfilling prohecy?

Namelijk: dat er automatisch véél medailles (moeten?) worden toegekend om een maximaal aantal (betalende) deelnemers te plezieren? Want hoe hoog de lat precies lag om een bepaalde medaille te krijgen, dat is me niet meteen duidelijk uit dit Chardonnay Wereldkampioenschap.

Misschien geraakt u er wijs uit na een bezoekje van de bewuste website?

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 24 april 2008 door Wijntijd 0 reacties | Reageren

De expansiedrift van Champagne

De voorbije weken is er al veel (feitelijke én virtuele) inkt gevloeid over de uitbreidingsplannen van de appellation Champagne.

Voor - en tegenstanders bijten elkaar haast de nek over. De ene groep spreekt 'schande', de andere daarentegen over een 'zinvolle stap'.

Als objectieve buitenstaander kan je echter empathie voelen voor beide standpunten.

Pro en contra

Enerzijds moet deze expansie, met tientallen communes die plots worden toegelaten tot de lucratieve A.O.C.-status - slechts 2 dorpjes van de circa 40 kandidaten dreigen uit de boot te vallen -  , niet gedramatiseerd worden. In veel gevallen gaat het immers om dorpen en terroirs die historisch al behoorden tot de Champagne, maar tijdens één van de crisisperiodes hun status kwijtspeelden of inruilden.

En misschien is het inderdaad beter, bij een almaar zwellende wereldvraag waaraan zelfs een recordoogst zoals in 2007 niet kan voldoen, het wijngaardareaal geografisch uit te breiden. Liever dan allerlei kunstgrepen in de chais uit te voeren, druivenmateriaal uit andere regio’s stiekem te mengen of het scheppingsproces van Champagne - een zaak die per definitiejaren geduld vereist - te ondergraven.

Maar anderzijds kunnen we ons toch afvragen of een expansieproject, dat in één klap zo’n 10 procent of 3000 à 3500 hectare wijngaard toevoegt aan de bestaande oppervlakte, wel past in de ijzeren marketingfilosofie waarmee deze appellatie groot is geworden. Want welk liedje kregen we als consument decennia lang te horen? Dat Champagne één van de best beschermde appellaties in heel de wereld is, die nergens kan (en juridisch niet mag, tussen haakjes) gekopieerd worden. De toenmalige Franse politici zijn er zelfs in geslaagd, toen Spanje officieel lidmaatschap kreeg bij Europa, om de ‘methode champenoise’ (de klassieke belletjestechniek met zijn tweede gisting op fles) te annexeren en juridisch taboe te maken voor om het even welke concurrent, binnen of buiten Europa.

Hoge prijskaartjes werden tot nu toe altijd gerechtvaardigd door de geografisch beperkte én streng bewaakte druivencultuur. Uiteraard vragen veel consumenten zich nu af door welk acabadabra nu plots wel zo’n 40 communes ‘zalig’ worden verklaard, lees rijp zijn om er de heilige druivenvariëteiten pinot noir en chardonnay te planten. En vooral: waarom zijn deze communes en terroirs, waarvan sommigen vroeger zelfs premier cru-status droegen, ooit uit de appellation gestapt? Of misschien wel gegooid? Was het een kwestie van onvoldoende kwaliteitsniveau, slecht management of slinkende verkoop tengevolge van de zoveelste economische crisis? Of hadden de wijnbouwers uit deze districten geen erfgenamen om hun domein voort te zetten?

Dit laatste argument pluk ik niet zomaar uit de lucht, want we moeten niet vergeten dat de verkoop van Champagne nu wel internationaal boomt, maar de marktsituatie zelfs 15 à 20 jaar geleden er veel minder rooskleurig uitzag. Daarom vind ik dat het Institut National des Appellations d' Origine, de waakhond van de Franse beschermde herkomstbenamingen, deze kwaliteitsvraag dringend moet beantwoorden alvorens de gebiedsuitbreiding van Champagne te pushen. Want anders gaan veel consumenten vermoeden dat de nieuw erkende subgebieden minderwaardig druivenmateriaal opleveren en dus Champagne, onder druk van het globale succes, 'water' in zijn moussewijn doet. In een marktcontext waar de prijs van een fles Champagne dit jaar al misschien met 10% stijgt, is zo’n gerucht absoluut te vermijden.

Eigenaars in de mist...

Weet u trouwens wat ik ook graag zou vernemen?

Wie de 'nieuwe' eigenaars zijn geworden van de percelen landbouwgrond, die straks omgetoverd worden tot lucratieve Champagne-terroirs. Daarover wordt met geen wordt gerept, officieus noch officieel. Niet alleen omdat het prijskaartje van deze sluimerende gronden, na de bekendmaking van hun mogelijke promotie, in enkele dagen tijd tot met een factor 100 in waarde verhoogde. Maar het is toch cruciaal: wie beheert ze straks? Zijn het inderdaad de grote maison de Champagne, die al dan niet via stromannen, zo op termijn een deel van hun kernprobleem oplossen, namelijk hun chronisch tekort aan eigen druivenmateriaal? Of zijn het integendeel kleine, lokale 'boertjes' die in één klap multimiljonair zijn geworden en eventueel onder eigen label willen bottelen? En zijn die daar dan technisch wel degelijk voor uitgerust?

Hoe dan ook: het economische effect op de belletjesdorstige wereldmarkt zal, aangezien de terroirs na hun erkenning letterlijk van de grond af (her)aangelegd moeten worden, pas binnen 6 à 10 jaar écht duidelijk worden. Officieel spreekt men van 2012, maar het echte effect komt pas later. Want pas dan zal de nieuwe productie écht zijn rol kunnen spelen in de stocks.

Frank Van der Auwera

P.S.: voor de tienduizenden Belgen die straks weer richting Champagne rijden om er - al dan niet clandestien - hun voorraad mousserende wijn in te slaan, geven we hier een pdf-bestand, met daarin alle communes die appellatierijp zijn. Doe er uw voordeel mee op uw verkenningstochten...

Geplaatst op 22 april 2008 door Wijntijd 0 reacties | Reageren

Aprilvis in Chablis

Een paar dagen geleden sprak ik met één van de bekende Chablis-producenten, die me terloops vertelde dat het weer flink gesneeuwd had in de regio en zijn wijngaard onder een wollen dekentje lag.

Sneeuw in april kan weliswaar een isolerende laag vormen, met name voor het wortelnetwerk van de wijnranken, maar als dit vergezeld gaat door strenge nachtvorst vormt het wel degelijk een potentieel risico voor de latere oogst. Dat is het klimatologische lot van Chablis: de AOC behoort tot de Bourgognefamilie, maar bezit nu eenmaal een continentaal klimaat, in tegenstelling met de 'zuidelijker' Côte d’Or. Het kwik kan in Chablis soms spectaculair snel zakken tot -10°C, zelfs -15°C.

Wanneer zo'n vorstperiode in april valt - of diep in mei, wat geen uitzondering is - kan vorst een kleine catastrofe veroorzaken, omdat de wingerd zich precies dan in een cruciale, hypergevoelige fase van zijn groeicyclus bevindt. April is namelijk de periode dat de knoppen ontluiken en dus extra kwetsbaar zijn, zeker als de weken daarvoor eerder mild bleken.

Winterprik counteren

Als wijnmaker heb je dan weinig verweermiddelen, vooral als meerdere vorstnachten elkaar opvolgen. Hoe men deze klimaatsduivel toch probeert te temmen?

Zo werden in deze regio traditioneel oliekacheltjes of zelfs vetpotten in de wijngaard aangestoken, om de temperatuur tijdens de dalmomenten geforceerd op te tillen. Sommige domeinen plaatsten zelfs grote propellers/ventilatoren die de bijtkoude lucht continu laten circuleren, zodat de wijnstokken niet teveel worden opgeschrikt.

Maar een derde, in Chablis frequenter gebruikte techniek, lijkt op het eerste gezicht sciencefiction: men gaat dan voorzichtig water sproeien over de druivelaars, die op die manier in no time een ijskorstje krijgen. Het klinkt inderdaad tegendraads, maar het blijkt een probaat middel en het levert bovendien spectaculaire foto's op, die u in menig wijnboek zal aantreffen: de jonge druivenknoppen die in een beschermend ijsblokje gevangen zitten en zo, eens de warme lentedagen terugkeren, perfect ongeschonden uit dit verhaal komen.

Voorlopig lijkt er echter nog geen reden tot paniek in de appellation, want de oogst-in-wording 2008 oogt nog gezond en wel.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 20 april 2008 door Wijntijd 0 reacties | Reageren

De appellatie drop-outs

Corks Gepland was het allerminst, maar het wordt wel de oververhitte week van Bella Italia op mijn blog. Het pas vrijgekomen nieuws rond topproducent Allegrini kan trouwens voor de toekomst van de Europese wijnbusiness op termijn van véél groter belang blijken dan het effect van de schandalen die nu het land overspoelen.

Concreet gaat het hier om: Allegrini, één van de sterkhouders in de DOC Valpolicella Classico, is zelf uit zijn beschermde herkomstbenaming gestapt. Aan de basis van dit toch heel drastische manoeuvre ligt gek genoeg geen conflict met de officiële instanties over de wijnkwaliteit of wijnbereiding, maar wél over het gebruik van de schroefdop. Blijkbaar oordeelt het bevoegde consortium dat een wijn die recht heeft op het 'betere' Classico-statuut, nooit ofte nimmer met een schroefdop kan afgesloten worden. Het huis Allegrini betwist deze visie al maandenlang, wacht ook al geruime tijd op een aanpassing van (of uitzondering op) de reglementering, maar is de egelstelling van de officiële instanties nu uiteindelijk kotsbeu. Aan iedereen die het horen wil, verkondigt wijnmaker Franco Allegrini dan ook: "De sluiting van onze flessen is belangrijker dan de appellatie".

Langdurige experimenten met de schroefdop, plastiek alternatieven en natuurkurk hebben volgens Allegrini namelijk duidelijk aangetoond dat de wijn onder schroefdop veel beter zijn fraîcheur en fruit behoudt. Het feit dat talrijke distributeurs uit het Verenigd Koninkrijk en de VS felle voorstanders zijn van deze sluitingstechniek, zal ook wel een rol gespeeld hebben in de beslissing.

De eerste in een lange rij

Hoe dan ook, door deze toch drastische stap 'degradeert' Allegrini zijn gamma nu tot gewone Valpolicella en verliest de op papier duurdere Classico-status. Waarom ik deze dwarsliggers van Allegrini desondanks met heel mijn hart én hoofd steun?

Enerzijds omdat heel deze discussie het zoveelste bewijs vormt dat zelfs 'grote' namen uit klassieke herkomstbenamingen aanvoelen dat de bijhorende reglementering een té strak keurslijf is geworden, waarin ze als wijnmaker nauwelijks enige flexibiliteit bezitten. Zelfs niet over de manier waarop ze hun eindproduct willen afsluiten. En dat ondertussen hun officiële belangenbehartigers onvoldoende in het snuitje hebben dat de geglobaliseerde wijnwereld zoveel competitiever is geworden en ze - ook in de Europese Unie - toch dringend iets meer vrijheidsgraden moeten geven aan individuele wijnmakers met talent en visie. Of anders verder het Europese marktaandeel zien verdampen.

Vooral in Italië gedragen sommige instanties zich echter nu heiliger dan de paus. Maar per slot van rekening is er met de dwarsliggerij van Allegrini niks nieuws onder de zon. Italië heeft in de jaren '70 en vooral '80 immers ook de golf van vino da tavola gekend: vooral super-Toscanen, die doelbewust uit hun té rigide DOC-wetgeving stapten om, op papier als 'eenvoudige tafelwijn', onder etiket te gaan. Deze super-Toscanen moesten noodgedwongen hun appellatie opgeven omdat ze allochtone, streekvreemde druivensoorten wilden gebruiken of hun wijn korter op eiken barriques lagerden. In de praktijk haalden deze drop-outs echter snel prijsniveaus en reputaties waarop veel klassieke appellatiewijnen stikjaloers waren.

De recente reactie - of eigenlijk: het uitblijven van een reactie, laat staan oplossing - van de Valpolicella-verantwoordelijken toont echter aan dat de Italiaanse wetgever, zeker op regionaal niveau, nog weinig geleerd heeft uit de globale wijncrisis. En blijft reageren als het strijkorkestje op de Titanic: de Europese wijnindustrie verliest continu globaal marktaandeel, maar we wijken ondertussen geen duimbreed af van onze partituur die al decennia vastligt.

De strijd om de schroefdop

Maar anderzijds illustreert dit Allegrini-dossier eveneens dat de schroefdop, een volwaardige en vooral niet te stuiten sluitingstechniek is geworden. De weerstand er tegen is, ook bij Belgische consumenten trouwens, in mijn ogen vooral gestoeld op 'folklore', 'ritueel' en 'conservatisme'.

Laat ons eerlijk zijn: minstens 80% van de wereldwijde wijnproductie zou anno 2008 reeds een schroefdop kunnen én moeten dragen. Ik denk daarbij aan alle min of meer courante wijnen, zelfs tot een prijsvork van 15 à 20 euro. Voor flessen tot 10 euro zou ik zelfs radicaal pleiten om ze vanaf heden allemaal zonder uitzondering te 'screwcappen'.

We komen op dit flessendebat zeker nog terug in latere blogberichten, maar waarom blijft de handel in hemelsnaam halsstarrig wijnen bottelen en afsluiten met een natuurkurk? Kurk die in zoveel goedkopere wijnen minderwaardig blijkt? Natuurkurk is immers alleen - letterlijk én figuurlijk - op zijn plaats als het om superieure bewaarwijnen gaat. En dan nog kunnen we de discussie voeren over het kurkrisico. Maar wijnen die voor dagdagelijks gebruik bestemd zijn en meestal binnen de 2 à 3 jaar na hun oogst worden geconsumeerd, moeten toch geen natuurlijke kurkversie 'voor de eeuwigheid' krijgen? Dat is toch bedrijfseconomische nonsens?

Kortom, ik wrijf over mijn kristallen bol en voorspel: Allegrini zorgt voor een ernstig precedent. In veel Europese appellaties zullen wijnmakers én hun marketeers zich namelijk steeds luider afvragen hoe ze een nieuw evenwicht kunnen vinden tussen 'traditie' en 'innovatie'. En als dat niet lukt binnen hun DOCG, DO of AOC, dan lukt het misschien wel er buiten en worden al die commissies en instanties straks simpelweg offside gezet.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 16 april 2008 door Wijntijd 0 reacties | Reageren

Wijnschandalen in Italië (2)

Bleef het de voorbije weken vrij stil langs de kant van de hoofdrolspelers die in het Brunello-dossier - nog voor er één tastbaar bewijs van 'fraude' was - reeds internationaal aan de schandpaal werden genageld, dan is nu duidelijk de Toscaanse marketingmachine op gang getrokken. De voorbije dagen stak mijn mailbox namelijk boordevol mails, verduidelijkingen en rechtvaardigingen van wijnproducenten uit Montalcino, meestal geforward op initiatief van hun Belgische importeurs.

Handelaars die natuurlijk soms jarenlang met veel persoonlijke inspanningen en budgetten hebben gepionierd om deze crus in onze kelders en harten te krijgen, maar nu plots vrezen hun dure Brunello’s niet meer aan de Belgische straatstenen kwijt te raken.

Daarom wil ik u even in de coulissen laten meesnoepen van twee reacties. De eerste uitleg komt van Giacomo Neri, eigenaar van het gelauwerde huis Casanova di Neri, die o.a. in het VTM-nieuws werd beschuldigd van betrokkenheid in dit schandaal ("Een wijn die nochtans 100/100 kreeg bij Robert Parker" aldus een geïnterviewde specialist). Via zijn Belgische invoerder verstuurde Giacomo daarom een officiële verklaring, opgesteld in een eerder nuchtere toon.

Met als kernboodschap: er is tot op heden nog geen enkele inbeslagname gebeurd van onze flessen, installaties of wijngaarden. Bovendien verleende het verantwoordelijke Consorzio del Brunello di Montalcino in december 2007 nog probleemloos aan Casanova di Neri groen licht voor de registratie in het register van de herkomstbenamingen Brunello di Montalcino, Rosso di Montalcino en Sant'Antimo, na een eerdere inspectie in september 2007.

Banfi boos

Een wat meer assertieve toon spreekt uit een gelijkaardige verklaring die Castello Banfi nu in vakmiddens laat circuleren, een domein dat reeds sinds de jaren ’70 in België wordt geïmporteerd. Wereldwijd werd Banfi de voorbije week in de media aangewezen als één van de grote boosdoeners, waar naar verluidt reeds 600.000 flessen Brunello werden ‘geblokkeerd’ door de gerechtelijke instanties. In de brief van general manager Enrico Viglierchio wordt nochtans onderstreept dat alle wijnen van het huis effectief komen uit wijngaarden, die volledig beantwoorden aan de spelregels van de DOCG Brunello di Montalcino en dat er nergens twijfel kan bestaan aan de vlekkeloze kwaliteit van de eindproducten. Ook wordt er ondertussen 'vlotjes samengewerkt' met de autoriteiten die de mogelijke fraude onderzoeken, zo klinkt het.

Alleen de slotzin uit dit schrijven stoort me mateloos. Daar wordt namelijk vlakaf gedreigd met juridische acties tegenover iedereen die - ik citeer - 'groundless and damaging information' publiceert die de naam en reputatie van Banfi kan schaden. Waar trek je hier verdorie de grens? Wanneer is een artikel (te) 'schadelijk' en wanneer (nog) 'informatief'? Een slechte quotering misschien van een Banfi-wijn, is dat voortaan al een reden om de advocaten van Banfi op ons dak te krijgen? Of nog: welke terminologie kan juridisch plots niet meer door de beugel?

Deze dreiging gelijkt verdacht veel op de juridische procedure die tientallen Beaujolais-producenten een paar jaar geleden tegen een journalist van een Franse krant inspanden, omdat een interviewee in zijn artikel over de misbruiken in deze AOC sprak en veel hedendaagse Beaujolais - tussen haakjes: terecht - typeerde als 'vin de merde'. Vrijheid van meningsuiting geldt toch niet alleen in religieuze dossiers?

Als ik dus marketingsouffleur bij Banfi was geweest, had ik dit laatste zinnetje absoluut laten schrappen, omdat het een kwalijk reukje draagt, superieur suggererend "wij hebben de middelen om iedereen te kraken die voortaan in onze visie té kritisch rapporteert."

Wie oogst in, oogst uit, zoveel mooie wijnen aflevert als Castello Banfi, blundert m.i. wanneer critici bij voorbaat worden afgeschrikt, omdat zo’n attitude net extra olie op het vuur giet. Wedden dat ook veel Belgische consumenten nu overtuigd raken dat er toch iets fundamenteel niet pluis is (de 'waar rook is, is altijd vuur'-logica)? Was het niet stukken beter geweest om nu, als één van de tenoren uit deze nu zo getormenteerde appellatie, eerlijk naar voren te stappen en een werkgroep te eisen? Een groep die eindelijk eens serieus gaat bestuderen wat het smaakeffect is van allochtone druiven op een moderne Brunello en welke percentages een bonus of malus vormen? Zodat de soms snurkende officiële instanties eindelijk wakker worden geschud?

Niet op de pianisten moet er immers geschoten worden, wel op de stemmer van de piano én de componist.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 14 april 2008 door Wijntijd 1 reacties | Reageren

Wijnschandalen in Italië (1)

Istock_000005093685xsmall_2 Als aftrap van deze blog kan het tellen: heel de Italiaanse wijnindustrie speelt al 2 weken lang paniekvoetbal door fraudedossiers die wereldwijde enorme imagoschade berokkenen. Ook bij mij persoonlijk staan GSM én mailbox al dagen roodgloeiend, want elke krant en website of ieder radio -en TV-programma wil opinies horen over 'Hoe Het Nu Verder Moet Met Italiaanse wijn?'. En vooral of het nu waar is dat Brunello di Montalcino, hét paradepaardje van de Italiaanse wijncultuur, eigenlijk al jarenlang duur verkochte 'rotzooi' is die we voortaan moeten mijden. Want er werden per slot van rekening toch zeker 600.000 flessen Brunello geblokkeerd plus de commercialisering van de oogst 2003 uitgesteld?

Wat mij als observator van al tientallen andere wijnschandalen opvalt, ook buiten Italië nota bene (!) - bent u misschien al vergeten hoe château Giscours in Margaux ooit veroordeeld werd wegens gesjoemel met zijn tweede wijn, waaronder toevoeging van melk en water? - , is dat steeds dezelfde (foute) mechanismen optreden qua berichtgeving of analyse.

Eén: magazines of uitzendingen die nooit één letter/minuut besteden aan het product 'wijn' - toch zeker niet in positieve zin - staan plots vooraan op de barricades met ongenuanceerde onheilsberichten, net alsof we bij het drinken van één glas ter plekke morsdood vallen. Dat l'Espresso, het blad dat met veel gevoel voor timing de schandalen uitbracht bij het begin van hét Italiaanse wijnsalon Vinitaly, soms kort door de bocht gaat, kunnen we begrijpen. Het oorspronkelijke fraudedossier werd door l'Espresso immers publiek gemaakt onder de titel 'Velenitaly', een woordspeling die zoveel betekent als 'giftig Italië'. Maar uitspraken die bijvoorbeeld tijdens het Vlaamse Tv-nieuws werden gedaan als "verschillende restaurants nemen nu hun Italiaanse wijn van de kaart" hebben evenveel waarheidsgehalte als Tarot-kaarten die bepalen of u morgen loonopslag dan wel ontslag krijgt. Ook het openlijk vernoemen van producentennamen die juridisch nog niet eens officieel in verdenking werden gesteld , zoals Antinori, Frescobaldi, Argiano of Castello Banfi, blijft een bedenkelijke praktijk die meer te maken heeft men sensatie dan informatie.

Twee: ondanks de lawine aan analyses, wordt er in veel commentaren geen enkel onderscheid gemaakt tussen hoofd- en bijzaak bij deze twee ontplofte fraudedossiers. In dit geval: tussen de écht criminele fraude en het papieren gesjoemel.

Dat er naar verluidt tot 70 miljoen liter spotgoedkope en zwaar gemanipuleerde chemische rommel als wijn werd verkocht aan Italiaanse supermarkten, is in mijn ogen nochtans de écht kwalijke zaak, die we effectief met de wortel moeten uitroeien. De Italiaanse justitie heeft precies daarom een groots onderzoek opgezet bij wijnbedrijven uit Veneto, Lombardia, Puglia en Sicilia. Hiervoor past geen clementie: straffen die maffiosi als blijkt dat de beschuldigingen kloppen.

Brunello-bashing

Maar vreemd genoeg viseert de internationale pers vooral het Brunello-dossier, omdat verondersteld wordt dat bepaalde topproducenten in Montalcino sjoemelden met de spelregels van hun appellatie. En ondermeer de verplichte 100% sangiovese-regel aan hun laars lapten, want tussen de 10 à 20% streekvreemde druivenvariëteiten toevoegden. Al maandenlang loopt in dat verband trouwens een onderzoek in lokale wijngaarden en kelders.

Natuurlijk moeten we dit soort schandalen à la Brunello evenmin onder het tapijt vegen. Integendeel. We kunnen de huidige reglementering van deze DOC - die voorschrijft dat 100% sangiovese de conditio qua qua non is om erkend te worden als maagdelijke Brunello - belachelijk vinden of alleszins discutabel, maar dat betekent nog niet dat producenten eigenhandig en stiekem de wet mogen breken. Want jarenlang hebben ze ondertussen wel vrolijk geprofiteerd van de bijhorende appellatiebescherming en navenant torenhoge prijzen kunnen vragen.

Alleen, laten we niet idioot doen: of er nu 1, 5, 10 of 20% merlot of cabernet aan sommige Brunello's werd toegevoegd, dit zal nooit ofte nooit onze gezondheid schaden. De hamvraag, waarop voorlopig niemand een helder antwoord kan geven, is zelfs: misschien smaken deze 'stoute' Brunello's wel lekkerder dan hun 'authentieke' collega’s? Ook vreemd is dat er door velen nu in Brunello een mengpraktijk scherp wordt veroordeeld, die ze blijkbaar probleemloos tolereren in andere Toscaanse DOCG-appellaties zoals Chianti Classico en Vino Nobile di Montepulciano. Ik begrijp de logica dus niet helemaal.

In heel dit debat wordt voor mij wel één ding duidelijk: het verantwoordelijke consortium van Brunello, op papier de waakhond van de appellatie, is zichzelf aan hoog tempo overbodig (of belachelijk?) aan het maken. Weet u bijvoorbeeld welke deus-ex-machina ze officieel van stal halen om deze grootste crisis sedert mensenheugenis in hun regio te keren? Graaf Francesco Marone Cinzano, eigenaar van Col d'Orcia en president van het consortium van Brunello-producenten, verklaarde dat ze voortaan "zeker 20 à 25% van de wijnen uit elke oogst zouden testen". En nog "We zullen veel strenger zijn in onze controles!". Pardon? Heeft men ons de voorbije decennia als consumenten al niet wijsgemaakt dat Brunello één van de meest gegarandeerde en gecontroleerde herkomstbenamingen op Italiaanse bodem was, meteen één van de verklaringen waarom gemiddelde Brunello zijn hoog prijskaartje verantwoordt?

Frank Van der Auwera

Onze blogs

Meer