Home Markten Live Netto Sabato

Druivenvariëteiten

Geplaatst op 6 mei 2017 door Wijntijd Reacties | Reageren

60.000 tot 120.000 euro voor 1 hectare Etna

Shutterstock_508720339Dat de Siciliaanse wijnbouw momenteel boomt, is een feit. Gedaan met alleen maar rode alcoholbommen of zware bianco’s: fraîcheur en moderner fruit zijn nu eerder de teneur, dan uitzondering.

Een unieke positie in dit wijnlandschap nemen de wijnen van de subappellatie ‘Etna’ in. Lichter qua kleurspiegel en eleganter qua fruitfactor, uiteraard door hun locatie voorzien van een mineraliteit die soms uitmuntend blijkt.

Maar wat ik me daarbij wel afvraag: staan nu soms alle flanken van deze vulkaan reeds van a tot z beplant met druiven, bijna tot aan de krater? Want geen week gaat voorbij of er wordt wel een nieuw label, een extra cuvée of zelfs een gloednieuwe wijngaard gelanceerd.

Het Gaja-effect

Dat de Etna voor wijnmakers, letterlijk en figuurlijk, ‘hot’ is, bewijst de komst van Angelo Gaja, de man die vooral Barbaresco op de wereldkaart zette. Gaja heeft nu, in een fiftyfifty partnership met Alberto Graci – één van de Etna-wijniconen –, een wijngaard van 21 hectare gekocht op de zuidzijde van de Etna, in de gemeente Biancavilla. Reeds 15 hectare daarvan staan beplant met Nerello Mascalese-druiven.

Het voorlopig nog naamloze project werd alvast op Sicilië warm onthaald. Daar is men er immers rotsvast van overtuigd dat door de komst van de legendarische Gaja en zijn renommee, ook de reputatie van Etna-wijnen – én de prijskaartjes voor druiven én cuvées – de hoogte zullen ingaan. En dat nieuwe investeerders gelokt zullen worden.

Dat Gaja op deze zuidwestelijke flank investeert is logisch, want de noordflank is reeds totaal uitverkocht. Bovendien is het zuidwesten ook historisch altijd van belang geweest voor de druivencultuur, omdat de trossen daar blijkbaar makkelijker rijpen.

Niet dat een wijngaard in deze locatie momenteel een koopje blijkt. Eén hectare kost er circa 60.000 euro, wat wel de helft is van dezelfde oppervlakte in het noorden (ca. 120.000 euro), maar toch nog steeds een fors bedrag voor een vulkaancuvée.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 28 april 2017 door Wijntijd Reacties | Reageren

Smurfwijn focust nu op Uncle Sam

Eerst was blauwe wijn voor velen een 'sensatie', vervolgens zeker een hype, maar naarmate steeds meer critici dit smurfenwijntype kapot schreven en zelfs ook wetgevers – zoals in Spanje – blauwe cuvées verboden om zich nog langer als 'wijn' te presenteren, doofde het succes ervan in Europa uit.

Nadat de firma de Europese kritiek probeerde te pareren en juridisch opgesmukt terug op de markt kwam, leek de lucht al uit deze hype gestroomd.

Test het maar eens uit in onze Belgische horeca: nergens zal er een blauwe wijn op de kaart staan, zelfs niet in trendy bars. Want ook al houdt de producent bij hoog en laag vast aan het 'natuurlijke en organische' karakter van deze cuvée, blijft het toch een feit dat de kleur niet exclusief van de druivenpel komt, maar door toevoeging van een plant-gebaseerd ingrediënt, en dat de wijn zelf een mix is van rood en wit.

Heiligschennis in zuivere wijntermen.

Einde verhaal?

Maar Gik, het van origine Spaanse moederbedrijf dat - laten we dit niet vergeten! - deze blauwe wijn toch met het nodige succes in 25 landen lanceerde, richt nu de pijlen op een misschien inderdaad veel lucratievere markt dan de Europese unie, namelijk: de Verenigde Staten.

De laatste dagen kunnen Amerikanen – ik zie de enthousiaste beau monde van Los Angeles, NYC en San Francisco al in de rijt staan voor deze laatste trend – immers inloggen op de site https://bluewine.us/ om pre-orders te plaatsen voor de Turquoise wijn.

Zij zullen daar $16 per individuele fles, of $124 per karton, moeten neertellen. Alhoewel er nu ook volop reclame gemaakt wordt voor een set van 3 flessen tegen $36, inclusief free shipping.

Ik heb geen kristallen bol, maar ik voorspel dat na een enorme hype die in de VS 1 à 2 jaar duurt, we daarna niets meer zullen horen van deze vloeibare 'smurf'. Eenvoudigweg omdat de (Amerikaanse) nieuwlichters dan weer in de ban zijn van the next big thing, terwijl de echte wijnliefhebber dit soort producten liever niet in zijn/haar glas ontmoet wegens niet authentiek genoeg.

Het was 'mooi' zolang het duurde.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 10 februari 2017 door Wijntijd Reacties | Reageren

Organisch van A tot Z

CavaKurkMisschien is het u ontgaan, zelfs als u tot de meest fanatieke believers van de biologische wijnkerk behoort, maar Europa - en meer bepaald Spanje - bezit wel een primeur: de eerste 100% pure organische appellatie.

Eventjes nadenken waar en wie? Het is namelijk een schisma in de cava-productie die tot dit resultaat leidde, in casu de Calataanse DO Clàssic Penedès.

Weg van de massaproductie

In 2014 braken immers een aantal producenten uit de cava-koepel, gestimuleerd door de lokale eco-paus Albet i Noya, omdat ze zich niet langer konden vereenzelvigen met de soms belabberde kwaliteit van deze populaire Spaanse bubbels. Want door het enorme exportsucces werd de spoeling ook steeds dunner en dunner, zodat er – zelfs op onze Belgische markt – cava's in de rekken belandden waarvan de basisfactuur (vinificatie, fles, botteling, etikettering, dus de blote aankoopprijs) inferieur werden aan alle bijkomende kosten (transport, winstmarge, accijnzen, eco-kosten,…). De inhoud werd soms ondergeschikt aan de uitmonstering en het imago. Dus kwamen steeds meer producenten in het geweer tegen deze nivellering richting bas de gamme.

De nieuwe subappellatie Clàssic Penedès bleek evenwel toch meer dan een stelletje dwarsliggers of dikkenekken-bodega's. Zo was één van de belangrijkste condities om tot deze nieuwe club toe te treden de vereiste om gecertificeerd organische wijn te produceren. Zonder deze certificatie en een kelderrijping van minimaal 15 maanden kunnen de (aspirant)leden immers nooit het label van de DO Clàssic Penedès dragen.

Met andere woorden: dit is de eerste unisono appellatie op Europese bodem, zij het dat het natuurlijk om een voorlopig nog klein clubje draait. Want momenteel zijn er slechts 15 bodega’s die de DO belichamen. Bodega's waarvan een aantal ook bij ons vlot te koop zijn: Albet i Noya, Bonans, Castell de Pujades, Celler Can Morral del Moli, Celler Grapissó, Celler Puig Romeu, Cellers AT Roca, Clos Lentiscus, Colet, Loxarel, Mas Bertran, Mas Comtal, Mas dels Clavers Can Gallego, Miquel Jané en Torre del Veguer.

Loont het?

Dubbele hamvraag blijft.

Eén: wanneer krijgen deze 15 pioniers eindelijk meer sympathisanten die ook hun buik vol hebben van de platvloerse en banale cava's, zodat deze DO geen (weliswaar boeiend) randfenomeen blijft in de cava-commercie?

En twee: valt deze organische origine en druivencultuur ook effectief te proeven in het glas? Met andere woorden, is de toegevoegde waarde - en de soms hogere prijsvork - van deze certificatie in een ‘mousseproces’ essentieel? Ik denk dat we de komende weken en maanden dringend een aantal vergelijkende degustaties moeten organiseren om hierop een antwoord te vinden.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 22 januari 2017 door Wijntijd Reacties | Reageren

Blauwe wijn loopt blauwtje op

Vorig jaar was het een hype: plots lag er ‘blauwe’ wijn in de Europese rekken.

Product dat meteen de drinkende gemeenschap in twee kampen verdeelde. Het (overgrote) deel bestond uit tegenstanders, producenten én liefhebbers die dit nieuwe wijntype als een pure marketinggimmick en een kunstmatige creatie beschouwden. Een hipster-drankje kortom. Maar de voorstanders vonden het integendeel een leuke, trendy nieuwe drank die volgens hen wel natuurlijk was en bovendien eindelijk enige afwisseling bracht in het klassieke kleurschema wit-rood-rosé.

Wat er ook van zij: in Spanje kan men er niet mee lachen.

Bastaardwijn

Alhoewel het een team van jonge Spanjaarden was dat vorige zomer onder het Gik-label de eerste blauwe wijn lanceerde en meteen ruim 100.000 flessen in 25 afzetmarkten verkocht, krijgen zij nu een njet van de Spaanse wetgever.

Na een anonieme klacht en duidelijke afkeer van de traditionele wijnlobby, kregen de makers immers inspecteurs over de vloer. En het verdict dat recent viel is hard: blauwe wijn mag voortaan niet langer als ‘wijn’ gelabeld en verkocht worden, zo klinkt het nu officieel. Een blauwe wijn als Gik hoort in Spanje nu thuis in de vage categorie ‘andere alcoholische dranken’.

Uiteraard een dikke streep door de rekening van de entrepreneurs achter ‘Gik’. En al hun imitatoren die overal mee op de blauwe trein sprongen. Zij vinden deze beslissing namelijk absurd, omdat hun product voor 100% van een selectie Spaanse druivenvariëteiten wordt gemaakt en zijn blauwe kleur slechts krijgt na toevoeging van een natuurlijk pigment dat uit de druivenpel wordt geëxtraheerd.

Wat hun dossier natuurlijk zwakker maakt is dat er ook indigo wordt toegevoegd, een in se natuurlijke kleurstof afkomstig van de Wede-plant, die echter al lang ook artificieel wordt vervaardigd. Dat wijkt toch al af van klassieke vinificatieprocessen.

Bovendien maakten de Gik-teamleden bij de lancering van hun blauwe wijn ook strategische PR-fouten. Zo gaven ze in interviews toe dat niemand van hun team écht expertise had op gebied van wijnmaken en dat voor hen de kleur er eigenlijk niet toe deed. Hun reclamecampagne draaide verder helemaal rond het ‘breken van de wijnregels’, het ‘heruitvinden van tradities’ of het ‘drinken van innovaties’. Niet meteen een taalgebruik waarmee je de traditionele wijnbusiness- of drinkers charmeert.

Slag in het water?

Maar nu kreeg blauwe wijn dus rood licht in Spanje. Voorlopig zijn deze blauwe revolutionairen echter nog niet zinnens zich neer te leggen bij deze officiële beslissing. Op Change.org lanceerden ze daarom een actie en petitie om zoveel mogelijk steun te verzamelen. In hun motivatie wordt het voorgesteld of zij de strijd aanbinden tegen de 'oubolligen' en 'conservatieven' die blauwe wijn als blasfemie beschouwen.

Wat ook de uitkomst wordt: heeft deze actie nog wel zin? Want waar enkele maanden geleden blauwe wijn nog een hot topic was in veel populaire media, lijkt de hype serieus afgekoeld.

Misschien is de houdbaarheidsdatum van blauwe wijn ondertussen reeds overschreden…

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 11 december 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Languedoc lijdt aan waterstress

Veel wijnmakers uit het Franse Zuiden – en meer specifiek de Languedoc - die ik de voorbije maanden sprak, haalden het reeds spontaan aan: hun wijngaarden worden tijdens de groeicyclus steeds vaker geconfronteerd met waterschaarste. Steeds langere periodes van droogte worden namelijk afgewisseld met dan plots hevige wolkbreuken, waar soms hoeveelheden neerslag van een hele maand in amper 24 uur vallen.

Door deze klimaatgrillen en oprukkende droogteperiodes ligt een oud dossier weer boven op tafel, zoals onlangs nog tijdens het technische wijnsalon Dionysud: irrigatie.

Want in de Languedoc-Roussillon, de regio die vaak te kampen heeft met deze waterschaarste, is op dit moment nauwelijks 10% (24.000 hectare) van de in totaal 240.000 hectare wijngaard uitgerust met een irrigatiesysteem. Volgens de Kamer van Landbouw van het departement Hérault wordt die situatie stilaan onhoudbaar, want de wijngaarden in de Languedoc hebben de voorbije jaren quasi elke recente oogst met waterstress af te rekenen. Diverse studies zijn dan ook lopende, onder meer om dé cruciale vraag te beantwoorden: waar moet uiteindelijk al dat water vandaan komen als iedereen zijn percelen wil irrigeren?

Actueel zijn de spelregels voor irrigatie streng, maar met toch reeds enkele achterpoortjes. Irrigatie is verboden voor alle wijnen tussen 15 augustus en de eigenlijke pluk. Maar voor midden-augsustus hangt alles af van de status van de wijngaard. Wijnen met een IGP en ‘Vin de France’ mogen immers probleemloos tot midden-augustus irrigeren, terwijl de (theoretisch) hoger gequoteerde AOP-kwaliteitswijnen er reeds op 1 mei moeten mee ophouden. Tenzij er zo’n catastrofe dreigt door een uiteonderlijke hete zomer, want er kan ook een uitzonderingsaanvraag worden ingediend die deze irrigatieperiode verlengt.

Gevolgen voor de consument

Wat die waterstress voor de eindconsument betekent? Meestal loopt dit fenomeen, zoals deze oogst in Frankrijk het geval is, samen met een serieus verminderd productievolume, maar toch een mooie kwaliteit en fruitconcentratie. Op voorwaarde natuurlijk dat er bekwame wijnmakers aan de slag zijn die hun druivenmateriaal wekenlang goed in het vizier houden en achteraf streng triëren.

Maar het resultaat in de rekken, zeker als meerdere opeenvolgende oogsten aan waterschaarste dus volumeverlies lijden, zal duidelijk zijn bij onze factuur. Prijsstijgingen zijn dan haast onvermijdelijk.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 25 november 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Tokaj schrapt traditie

TokajiElke nationale wijnindustrie heeft commercieel minstens één ‘trekpaard’ nodig: een appellatie, liefst met een lange geschiedenis en renommee, die de interesse van de consument kan prikkelen. Zelfs zonder dat de meeste wijnliefhebbers er flessen van in hun kelder stockeren.

Dat geldt zeker voor wijnlanden die niet meteen tot het kransje van de ‘Untouchables’ (Frankrijk, Italië, Spanje,…) worden gerekend, zoals Hongarije. Iedere amateur zal het erover eens zijn dat er veel potentieel in dit wijnland schuilt, maar de kennis van domeinen, druivenrassen en stijlen blijft uiterst beperkt bij het grote(re) publiek.

Eén ding heeft echter altijd tot de verbeelding gesproken, ook bij consumenten die er nog nooit één druppel van dronken: de regio Tokaj, heimat van één van de oudste wijntypes ter wereld de Tokaji Aszú, een zoete wijn gemaakt van door edele schimmel aangetaste (en ingedroogde, dus verkrente) druiven.

Populair aan het hof

Deze exclusieve dessertwijn werd inderdaad eeuwenlang in verband gebracht met blauw bloed en vorstenhuizen, aangezien hij in die kringen razend populair was.

Zo zond Keizer Frans Jozef van Hongarije naar verluidt de Britse koningin Victoria steevast op haar verjaardag een partij Tokaji, namelijk voor ieder nieuw jaar een extra dozijn. Met als resultaat, zo blijkt uit de annalen, dat er voor haar 81ste verjaardag in mei 1900 maar liefst 972 flessen Tokaj richting London werden verscheept.

Maar ook de Russische Catharine de Grote was dol op de Tokaji, zelfs in die mate dat zij haar voorraad permanent liet bewaken door gewapende militairen.

Een reputatie die onder het communistische bewind echter serieus beschadigd werd - want er werd toen gesjoemeld met de kwaliteit en spelregels - , maar sedert de val van de Berlijnse Muur is dit wijntype aan een commerciële remonte bezig, o.a. dankzij de instroom van buitenlandse investeerders en knowhow.

Puttonyos in de ban

Tot voor kort kende de Tokaji Aszú een strakke rangorde (waarbij we eventjes de Eszenzia buiten beschouwing laten). Het suikergehalte, dus de zoetheidsgraad en concentratie van de wijn, werd op het etiket vermeld in het aantal "puttonyos", oplopend van 2 tot 6.

Een puttony is een mand die de plukker op zijn rug draagt en waarin de door botrytis (edele schimmel) aangetaste druiven zorgvuldig worden verzameld. Hoe meer van deze puttonyos tijdens de vinificatie aan de most worden toegevoegd, hoe zoeter en geconcentreerder de cuvée smaakt. En hoe duurder ook de fles in de winkel, want op papier ook langlevender.

Maar ook in de Tokaj-regio waait nu een nieuwe wind en heeft men besloten om deze oude classificatie radicaal te schrappen. De vermelding puttonyos verdwijnt dus van de etiketten.

Voortaan is de zoetste Tokaji de categorie ‘Eszencia’, buitenbeentje dat minimaal 450 gram (!) restsuiker per liter moet bevatten en een alcoholgehalte tussen de 1,2% (!) en 8% kan bevatten. Daaronder volgt de grootste groep, die simpelweg ‘Aszú’ wordt gedoopt, met zeker 120 gram residuele suikers per liter en minimaal 9% alcohol. Al de andere, speciale subsoorten zoals ‘szamorodni’, ‘fordítás’ of ‘máslás blijven in droge en zoete versie bestaan, waarbij de dessertversies minimaal 45 gram/liter restsuikers moeten dragen.

Of deze zogeheten simplificatie het nu makkelijker maakt voor de eindconsument betwijfelen we echter, want straks belanden er ‘Aszú’ - wijnen op onze markt die inhoudelijk enorm kunnen verschillen qua suiker- en alcoholpercentage. Zonder dat de koper dit kan aflezen van het label.

Het wordt voortaan dus veel gissen of googelen voor de liefhebbers.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 28 oktober 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Wijn uit de hemel

AoYunWe hebben al veel exotische plekken besproken waar tegenwoordig, weliswaar op zeer bescheiden schaal, wijn wordt gemaakt, maar ik denk dat we nu toch wel het summum hebben bereikt. Letterlijk zelfs: wijn uit Shangri-La.

Iedereen kent ongetwijfeld de roman ‘Lost Horizon’ uit 1933 waarin de Engelse auteur James Hilton een soort mythologisch en paradijselijk Utopia, diep verborgen in de Himalaya, beschreef. Maar tegenwoordig is Shangri-La een arrondissement in zuidwestelijk China, dat tot 2001 de naam Zhongdian voerde.

Het is daar waar Moët Hennessy - onderdeel van de luxegroep LVMH - nu een prestigieuze en vooral peperdure cabernet sauvignon heeft geproduceerd, geblend met 10% cabernet franc. Doopnaam: Ao Yun, in het Engels vertaald “floating over the clouds.”

Tot 2560 meter boven zeespiegel

Deze luxecuvée werd recent in de Verenigde Staten gelanceerd met een startprijs van 300 USD per fles. Van de circa 2.300 geproduceerde kisten werden er ongeveer 500 richting Uncle Sam verscheept, zelfs eerder aan de gretige kopers voorgesteld dan in China zelf waar volgens Jean-Guillaume Prats, president van de wijndivisie van Moët Hennessy, “…nu reeds een enorm speculatieve vraag groeit voor deze speciale cuvée.” Lees: de startprijs zal snel verdubbelen.

Wat is nu het verhaal achter deze ‘Ao Yun’ oogstjaar 2013?

Een dikke tien jaar terug besliste de chief executive van Moët Hennessy, Christophe Navarre, dat de groep rode wijn in China moest maken. Naast de klassieke wijnregio’s in de Volksrepubliek, vonden de specialisten het geknipte microklimaat en terroir in de provincie Yunnan, grenzend aan Tibet, Myanmar en Vietnam, waar de Mekong-rivier zich doorheen de bergen slingert.

Eigenlijk geen nieuwe vondst, want Jezuïtische missionarissen plantten er reeds omstreeks 1840 de eerste druivenstokken. In 2002 werden er nog eens klassieke Bordelaise stokken soorten aangeplant. Toch beweert Prats dat geen kat geloofde dat deze regio ideaal was om er een fantastische cabernet sauvignon te produceren. Het was wachten tot in 2013, toen Moët Hennessy ongeveer 19 hectare wijngaard gebruikte die op zeer grote hoogte aangeplant stond – tussen 2.400 en 2560 meter boven zeeniveau – om er hun eerste Ao Yun cuvée van te maken.

Zon en Zen

Wie de wijngaard wil bezichtigen, moet wel de nodige inspanningen leveren. Eerst vliegen naar Shangri-La City, gelegen op bijna 3.675 meter hoogte. Na een grillige rit van zeker vier uur door het gebergte bereikt men pas het domein, waar de lucht zo droog en puur is dat allerlei bestrijdingsmiddelen (onkruidverdelgers, schimmelbestrijders, pesticides) overbodig zijn.

Gezien het reliëf van het perceel kan zelfs de irrigatie van de stokken zeer beperkt blijven én makkelijk beheerd worden. Het rijpingsproces en de fotosynthese verlopen er bovendien erg traag, omdat tijdens de cruciale periode de wijngaard maximaal zo’n zes uur zon per dag krijgt, waarna de temperaturen dramatisch dalen, zodat onder meer de aciditeit in de druiven perfect blijft.

De pluk gebeurt dan ook pas in november. De hoge ligging heeft nog een ander voordeel: tijdens de fermentatie is er veel minder zuurstof in de ijle lucht, wat volgens Prats het bewaarpotentieel ten goede komt.

Niet dat alles met deze maiden vintage van een leien dakje liep. Gistingstanks en zelfs de eiken barriques kwamen te laat op het domein, waardoor de wijn zelfs een tijdje op amfora’s moest verblijven.

Maar dat zal de speculanten en trendslaafjes natuurlijk geen barst schelen. De prijzenlotto zal er niet onder lijden...

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 12 september 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Cuvée Labo

DruppelWijnSedert het artikel in onze dagkrant (lees: Zonder druiven wijn maken in het labo) en mijn daaropvolgende radio-interview (Radio 1, ‘Nieuwe feiten’), word ik druk gemaild, aangesproken en gebeld met als hamvraag: gaat synthetische wijn straks nu écht de globale wijnmarkt radicaal verstoren en klassiek gemaakt wijn verdringen? Iedereen heeft er plots een mening over, ook al heeft nog niemand het artificiële eindproduct kunnen proeven.

Daarom deze column om nog een paar puntjes op de ‘i’ te zetten.

Wijn is altijd chemie

Neen, ik ben geen Luddiet, dus anti-technologie en innovatie, kortom niet per definitie contra synthetische wijn. Omdat nu reeds onze hedendaagse wijnmakerij dankzij de oenologische inzichten van de voorbije 30 à 40 jaar veel met (bio)chemie & wetenschap te maken heeft: gistculturen, additieven, eiken chips, noem maar op, worden reeds toegepast in veel cuvées. Soms overdreven veel – met veel kleur- en smaakstoffen -, soms goed gedoseerd en zo minimalistisch mogelijk.

Maar fundi’s die nog steeds geloven dat wijn zonder ‘chemie’ kan gemaakt worden en een soort bucolisch sprookje is, weten niet waarover ze praten. Zonder al die technische en chemische vondsten en middelen van de voorbije decennia, zouden onze nu betaalbare instapwijnen 2 à 3 keer zo duur in de rekken liggen, wegens jaarlijks teveel in de greep van de natuurgrillen. En zou mijn wijnkoopgids “De 300 Beste Wijnen Onder de 10 Euro” maar een flinterdunne brochure zijn.

Maar anderzijds vind ik wat deze start-up in San Francisco laboratoriumgewijs bekokstooft, er ook over. Zij maken immers een biochemische robotfoto van alle aanwezige moleculen, verbindingen, glucose, zuren et cetera in een specifieke wijn, analyseren die grondig en produceren er daarna een quasi-identieke copycat van.

Dat ze straks naar eigen zeggen een wijn ‘in 15 minuten’ kunnen reproduceren, neem ik met een flinke korrel zout. Maar zelfs als hun labo-proces enkele dagen of weken productietijd vereist, hebben ze natuurlijk commercieel een enorme bonus vergleken met de traditionele wijnbouwer. Die moet immers tijdens de vegetatieve cyclus van zijn druiven alleen al een honderdtal dagen met klamme handen in de wijngaard werken, biddend tot de weergoden. En dàn moet de eigenlijke vinificatie nog maar pas beginnen.

Steriel tot de laatste snik

Ik vind deze door witte-jassen in het labo geprepareerde cuvée er echter ‘over’, omdat primo wijn voor mij nog altijd alcoholisch gefermenteerd fruit is, bij voorkeur druiven. Secundo omdat het tevens een levend product is dat, zeker als het om complexe(re) cru’s gaat, nog jaren kan verder ontwikkelen op fles, richting zijn kwalitatieve 7de hemel. Daarin schuilt precies de ‘funfactor’ van een wijn.

Onze biochemische copycat cuvée bottelt daarentegen slechts een statische momentopname van een bepaalde cru, immuun voor het trage oxidatieve proces waarbij de wijn geleidelijk zijn primair fruit en soms ferme tannines afschudt, zich verder verdiept en de geur- en smaakcomponenten versmelten.

De labo-wijn blijft eeuwig steriel in zijn fles logeren.

Toch lucratief?

Hebben deze synthetische wijnen dan geen toekomst? Toch wel. Ik zie hun commercieel potentieel op twee vlakken, gefocust op twee types eindconsumenten.

Ten eerste: in het spotgoedkope instapgenre van wijnen die nu pakweg onder de 5 euro liggen en waar vooral budgetconsumenten op afkomen, meestal zonder voorkennis of voorkeuren. In die rayon kan zo’n snel geproduceerde, véél goedkopere, synthetische versie natuurlijk veel consumenten lokken. Zoals na elke accijnsverhoging van bijvoorbeeld cognac er massa’s drinkers zijn die automatisch downgraden naar een goedkopere type brandy.

De tweede consumentencategorie die vatbaar lijkt voor synthetische wijn, zit m.i. aan de andere kant van het spectrum: de wijnfreaks, de vaak zelfuitgeroepen kenners, de etikettenslaafjes én de the-next-big-thing-nieuwlichters, die hun vrienden/gasten/kennissen willen verrassen, of zelfs overbluffen.

Zij zullen met plezier straks een synthetisch gefabriceerde fles ‘Dom Pérignon’ uit een magisch jaar – of een Lafite – voor 35 à 50 euro aankopen in plaats van het origineel tegen een veelvoud van dit prijskaartje. Als gezelschapsspelletje tijdens een etentje garandeert zo’n imitatiefles veel plezier, in de hoop dat de meeste aanwezigen het verschil niet opmerken met het origineel.

Laat ons wel duimen dat de Belgische horeca geen vaste klant wordt van deze synthetische wijnen. En dat er straks in veel zaken dus wijnen-per-glas worden aangeboden aan de ‘oude prijs, maar de klant ondertussen wél een synthetisch alternatief krijgt ingeschonken, zonder dat hij/zij daarvan op de hoogte is.

Spannend versus saai

Conclusie? Zoals ik al tijdens mijn radio-interview verklaarde: voor mij mogen er gerust artificiële ‘wijnen’ op de markt komen, op voorwaarde dat ze én goedkoper blijven, én anders gelabeld worden, zodat er geen vergissing mogelijk is. Ik zal ze met plezier toetsen.

Maar het wezenlijke verschil tussen een ‘échte’ wijn – met al zijn cultuur en traditie, heel het terroir- en maakverhaal, de grillen van druif en natuur, de visie en persoonlijkheid van de wijnmaker et cetera – versus een synthetische versie, lijkt me zoals kijken naar een sportevenement. Ofwel kijk je live naar een voetbal/tennismatch, athletiekmeeting of wielerkoers, ofwel dagen later naar een opname ervan, terwijl je de uitslag al kent.

Dàt is voor mij het fundamentele verschil tussen ‘spanning’ en voorspelbare ‘saaiheid’.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 26 juli 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Honey, I shrunk the vineyards!

ItaliaanseWijnDe kloof tussen perceptie enerzijds, en feiten anderzijds, kan soms heel breed zijn.

Neem nu de aanplant van wijngaarden in Italië. Iedere (semi)wijnprofessional zal het bevestigen dat het aanbod van Italiaanse cru's in onze rekken nog nooit zo rijk is geweest. Dat merk ik tussen haakjes persoonlijk eveneens aan de input voor de nieuwe wijnkoopgids 2017 “De 300 Beste wijnen Onder 10 euro”.

Toch blijkt uit de statistieken dat de Italianen dit kwaliteitsaanbod blijkbaar fiksen met een spectaculair krimpend druivenareaal.

Halvering

In 1970 bijvoorbeeld werden in la Bella Italia officieel nog 1,3 miljoen hectare wijngaard geregistreerd. Wanneer we deze gecultiveerde oppervlakte vergelijken met de situatie 40 jaar later, dus met 2010 als referentiepunt, blijkt dat er toen nog slechts sprake was van 663.000 hectare aanplant. In mensentaal: bijna een halvering in amper vier decennia.

Ook de sterappellaties waren niet immuun voor deze daling. Zo reduceerde de totale oppervlakte wijngaarden in Piemonte tussen 1970-2010 van 97.000 hectare tot 47.000 hectare, en in Toscane van 121.000 hectare tot 59.000 hectare.

Maar in andere regio's was de terugval, puur kwantitatief berekend, nog dramatischer. Het Sardeense druivenareaal kromp in 40 jaar van 65.000 hectare naar 18.000 hectare, of nog amper 27,7% van de oorspronkelijke aanplant.

Dé grote verliezer blijkt echter Lazio, de regio dichtbij de hoofdstad Rome, waar ooit 106.000 hectare druivelaars stonden aangeplant. In 2010 telde men er nog slechts 17.000 hectare: meteen een verklaring waarom we zo zelden Lazio-wijnen in onze rekken aantreffen.

Minder maar beter

Moeten we nu triest of nerveus worden van deze cijfers?

Niet noodzakelijk, want samen met de terugloop in bebouwde oppervlakte was er een stijging in de cultuur van autochtone druivenrassen, én in kwaliteitsgerichtere variëteiten voor de DOC(G)-wijnen.

Kortom: wat Italië ‘dramatisch’ verloor in kwantiteit, lijkt het ondertussen grotendeels gecompenseerd te hebben in ‘kwaliteit’.

Frank Van der Auwera

Geplaatst op 21 juni 2016 door Wijntijd Reacties | Reageren

Nog geen cava-kater

CavaglazenDat bubbels in het algemeen en cava in het bijzonder toch nog steeds vele Vlamingen in de ban houden, bleek al snel na onze vorige column (zie Wie redt de cava?). Want hij werd niet alleen intensief gelezen, maar er volgde een al even drukke discussie op alle sociale media en wijngroepen rond deze problematiek. Ook mijn persoonlijke mailbox zat meteen propvol reacties. Logisch, want met een jaarverkoop van dik 27 miljoen flessen cava, moeten er toch tienduizenden enthousiaste afficionados in ons land schuilen.

Ik resumeer eventjes de pro's en contra's.

Eén: een deel van de professionele wijnhandelaars in België noteert nog altijd een groeiende verkoop van cava, ondanks het feit dat ze wel degelijk het prestigeverlies voelen door flessen uit de grootdistributie in de 5 à 6 euro-vork. En ze vinden mijn marktbeeld dus iets te pessimistisch. Zij argumenteren immers dat de prijs-kwaliteit ratio van cava vanaf pakweg 8 à 9 euro winkelprijs onovertroffen blijft tegenover andere bubbelfamilies. Ook het feit dat veel Belgische wijnhandelaars steeds meer op zoek gaan naar authentiekere cuvées, Brut Nature of (Gran) Reserva's, zien ze als een positieve trend in ons cava-landschap.

Twee: toch kunnen ook deze positivo's niet ontkennen dat de toename van het cava-marktaandeel vertraagt en in ons land steeds meer concurrentie ondervindt van onder andere de prosecco. Ook in de horeca trouwens. Kwantitatief dient de recente groei in Vlaanderen van de cava-verkoop nagenoeg volledig op conto van de ‘bas de gamme’ geschreven. Met andere woorden: een groei dankzij de onderlaag van het aanbod, niet door de toppers.

Drie: veel lezers vragen zich daarbij - terecht - af wat de ‘content’ is van een fles spotgoedkope cava van pakweg 5 euro. Als we alleen nog maar de transportkost, de Fost Plus taks, de Val-I-Pac taks, de 2 euro accijns en de 21% BTW op dit bedrag in rekening brengen, belanden we al bijna op 3 euro per fles. En dan spreken we niet eens over de ‘marketingkost’: fles, etiket, kurk, karton. Of evenmin over de winstmarge van de handelaar. Over hoeveel eurocent ‘druiveninhoud’ gaat het dan nog bij deze dumpingcava's?

Meer eigen identiteit

Kortom, het debat blijft woeden, ook in Spanje. Het is niet alleen in de Penedès dat kwaliteitsproducenten zich serieuze zorgen maken over de toekomst van hun bubbels. Ook in andere regio's waar deze bubbelproductie officieel toegelaten is, probeert men de authenticiteit ervan op te krikken.

Zo heeft ook Requena een vereniging van cava-producenten opgericht om de kwaliteit te garanderen. Met ruim 20.000 hectare wijngaard, waarvan voorlopig 10 à 15% bestemd voor de productie van cava, is er stilaan een substitutie bezig van de aanplant. In deze streek van de Bobal-druif, worden namelijk de cava-druiven Chardonnay, Macabeo en Pinot Noir steeds frequenter aangeplant, omdat ze uiteindelijk een hogere prijs opleveren.

Het cava-aandeel - nu zo'n 4,5 à 5 miljoen flessen per jaar - zal in Requena dan ook beslist toenemen, want gezien de hogere ligging van de wijngaarden (700 à 900 meter boven de zeespiegel) is dit koelere microklimaat met zijn sterk wisselende dag/nachttemperaturen uitermate geschikt voor bubbelproductie.

Frank Van der Auwera

Onze blogs

Meer