In the long run...
‘Wat is mijn schuld, beste man?’, vraagt de joviale professor in het bijzijn van de kinderen. De kleermaker antwoordt: ‘Wel, het bedrag wordt al zo lang jaarlijks verdubbeld, ziet u. 2.000 pond is dat geworden, heer professor. En ik denk dat ik het geld nu wil.’
‘Ach, is het dat maar?’ De professor voelt in zijn binnenzak, alsof hij daar altijd minstens 2.000 pond steken heeft. ‘Maar zou je niet nog een jaar wachten op een nieuwe verdubbeling? 4.000 pond! Stel je voor hoe rijk je zou zijn!’ De kleermaker stamelt: ‘Dat is inderdaad een enorm bedrag. Wel, met uw goedvinden wacht ik nog een jaar. Goeiedag!’ Blijgemutst stapt de kleermaker buiten.
‘Papa, gaat u die kleermaker eigenlijk ooit betalen?’, vraagt Sylvie. ‘Nooit, mijn kind!’, lacht de professor. ‘Hij zal het bedrag voortdurend willen verdubbelen tot hij sterft. Zie je, het is altijd de moeite een jaar langer te wachten om twee keer zoveel geld te krijgen.’
Mooi verhaal, niet? Een link met de beurs is snel gelegd. Hebzuchtige beleggers die almaar meer willen en te laat hun winsten veiligstellen, u kent dat wel. Maar dat afgezaagde verband wilde ik helemaal niet leggen. Er is een andere link: John Maynard Keynes.
Keynes diste dit verhaaltje - een fragment uit de novelle ‘Sylvie and Bruno’ van Lewis Carroll - op in zijn geestig essay uit 1930: ‘Economic Possibilities for our Grandchildren’.
U zal zich afvragen waarom ik dat essay deze week (her-)las. Omdat ik de voorbije dagen net iets vaker dan me lief is te horen kreeg dat er geen geld meer zal zijn voor mijn oude dag. Ik heb het alvast in mijn levenskalender genoteerd: werken tot 2041 of misschien wel 2044. Bedankt hoor, mama en papa en oma en opa. Maar ach, het zij zo. Zaniken helpt niet. Gelukkig werk ik nu nog graag.
Toch wilde ik nog eens nagaan hoe ver de grote Keynes de bal missloeg in zijn essay over mijn generatie. Oordeelt u zelf. Hij schreef: ‘In the long run…’
En nu denkt u ongetwijfeld dat deze quote eindigt met: ‘…we are all dead’, nietwaar? Fout! Keynes maakte die overbekende opmerking wel, maar dat was in 1923. Hij trok toen van leer tegen theoretici en beleidsmensen die steevast susten dat het op de duur wel zou goedkomen met de economie, dankzij haar zogenaamde zelfregulerende karakter. Hier sloeg hij de bal juist.
De voorspelling uit zijn essay van 1930 luidt: ‘In the long run, mankind is solving its economic problem.’ Dat is ongeveer de meest optimistische voorspelling die een mens kan maken. En dat in 1930, toen de wereld in de greep was van beurscrashes, recessies en een, dixit Keynes, ‘pijnlijke aanval van economisch pessimisme.’ Dat klinkt actueel. De tegendraadse Keynes deelde dat pessimisme niet. ‘Wat we voelen, zijn groeipijnen. De technologische efficiëntie is veel sneller toegenomen dan we op de arbeidsmarkt konden opvangen.’ Ook dat klinkt actueel. ‘Wat betekent dat nu voor onze kleinkinderen?’, vroeg Keynes zich dan af.
Zijn antwoord, het antwoord van een van de slimste mensen van de 20ste eeuw, luidt als volgt. Keynes’ kleinkinderen, wij dus, leven vandaag allemaal in het aards paradijs. Alleen degenen die niet zonder taken of verplichtingen kunnen, werken nog . Maar niet meer dan 15 uur per week. De anderen, die weten hoe te genieten in plaats van te streven, mogen voltijds genieten. Geld is geen probleem, rekende Keynes voor. De wet van de samengestelde intrest zorgt er wel voor dat iedereen ruim voldoende heeft. U kent die wet wel: als er periodiek een som bij de hoofdsom wordt bijgeteld, groeit die hoofdsom exponentieel aan tot een immens bedrag. Yeah right.
Ik werk veel meer dan 15 uur per week. Nochtans weet ik hoe ik moet genieten in plaats van te streven. Keynes’ voorspelling klopt dus van geen kanten. Is het niet opmerkelijk dat de man die de ‘dierlijke instincten’ van de beleggende mens meesterlijk onder de aandacht bracht de hele menselijkheid zo spectaculair overschat heeft? Hoe is het mogelijk dat iemand die in 1919 een nieuwe wereldoorlog vreesde in ‘The Economic Consequences of the Peace’ er elf jaar later maar van uitging dat de mens zichzelf niet meer in de miserie zou brengen door zijn machtswellust en hebzucht? Jongens, toch.
Hoe dan ook, van een ding ben ik zeker: in the long run zit ik nog steeds braafjes achter mijn bureau.
Laatste reacties op onze blogs